Hoofdstuk 1 Perspectieven en geschiedenis
Psychologie
Mensenleer: ontwikkeling/wetenschap van: gedrag en mentale processen: gedachten en gevoelens.
Als sociaalwerker heb je deze kennis nodig om meer begrip te kunnen hebben voor je cliënt en beter
contact te maken. Ook je zelfkennis is belangrijk.
Perspectieven
Het biologische en neurologische perspectief
Psychische verschijnselen observeren en meten zodat het in formules uitgedrukt kan worden.
De hersenen beïnvloeden je gedrag. Neurowetenschap.
Het is een empirische wetenschap: bewezen door observatie of experiment.
Psychodynamisch perspectief Sigmund Freud (1856-1939)
Uitgebreide theorie over gedrag die hij psychoanalyse noemt, uitpluizen van het psychische. Nu
noemen we dit psychodynamica (1900). Gedrag wordt bepaald door het onbewuste.
Mensen worden geboren met driften. Persoonlijkheid is opgebouwd uit drie delen:
Id: het onbewuste (duiveltje)
Super ego: het geweten (engeltje)
Ego: het bewuste (je gezonde verstand, dat rekening houdt met wat wel en niet mag)
Freud geloofde dat er gekeken moest worden naar de eerste 5 levensjaren om een mens te
begrijpen.
Behavioristisch perspectief (begin 1900)
wetenschap van het gedrag/Behavior.
Alleen zekerheid door dat wat je kunt zien, het gedrag.
Het is waarneembaar en meetbaar. Het brein is een black box, wat daar gebeurd kun je niet
waarnemen.
Het gedrag van mensen wordt bepaald door leerprocessen.
Klassiek conditioneren (Pavlov) hf. 16
Operant conditioneren (Skinner) hf. 17
Gedragstherapie is vanuit dit perspectief ontstaan.
,Humanistisch perspectief Abraham Maslow (1908-1970) en Carl Rogers
(1902-1987)
De nadruk ligt op de mens:
Zelfontplooiing en belevingswereld
In de hulpverlening betekend dit dat elke mens uniek is en zelf aangeeft wat die wil. Daarbij is
empathie erg belangrijk.
Gestalt perspectief (1930)
We willen ons leven graag als geheel=gestalt zien en voelen en dat beïnvloed ons gedrag. We zien
dan ook geen losse onderdelen maar een geheel.
Cognitief perspectief (jaren 50)
Onderzoek naar cognitie= geheugen.
Informatieverwerking
Werking van het geheugen
Probleem oplossen
Leren leren
Je gedrag wordt beïnvloed door je denken.
Cognitieve therapie.
Neurofysiologisch perspectief (nieuw)
Neurowetenschap: tegenwoordig kunnen we veel beter kijken naar wat er letterlijk in de hersenen
gebeurd.
Systeemperspectief
Hf. 7
, Phineas Gage
13 september 1848
staaf door prefrontale cortex
wel overleefd, maar persoonlijkheidsverandering
hoofdstuk 3 lichaamstaal
Kluger Hans (1885-1916) Kluger Hans effect/ slimme hans effect
Paard weet het juiste antwoord op vragen door de lichaamstaal en gezichtsuitdrukkingen van de
vraagsteller bij het juiste antwoord. Dit effect houdt in dat je weet wat iemand wil dat je doet.
Still face experiment
Moeder reageert niet met gezichtsuitdrukkingen op haar kind. Kind doet alles voor aandacht en raakt
snel van slag.
Watzlawick (1921-2007)
Een idee coderen we en brengen we over op een ander die dit dan weer op hun manier decodeert.
3 basisprincipes van communicatie
1. Onmogelijk om niet te communiceren
2. Communiceren gebeurd op verschillende niveaus
Inhoud, wat er letterlijk gezegd wordt
Betrekking, de band tussen de zender en de ontvanger
Metacommunicatie
3. Interpunctieproblematiek, miscommunicaties in de verzonden boodschap en hoe die
ontvangen wordt
Lichaamstaal (Analoge communicatie): gebaren, mimiek, lichaamshouding, stemgeluid en
oogcontact.
Paradoxale opdrachten: tegenstrijdige eisen.
Psychologie
Mensenleer: ontwikkeling/wetenschap van: gedrag en mentale processen: gedachten en gevoelens.
Als sociaalwerker heb je deze kennis nodig om meer begrip te kunnen hebben voor je cliënt en beter
contact te maken. Ook je zelfkennis is belangrijk.
Perspectieven
Het biologische en neurologische perspectief
Psychische verschijnselen observeren en meten zodat het in formules uitgedrukt kan worden.
De hersenen beïnvloeden je gedrag. Neurowetenschap.
Het is een empirische wetenschap: bewezen door observatie of experiment.
Psychodynamisch perspectief Sigmund Freud (1856-1939)
Uitgebreide theorie over gedrag die hij psychoanalyse noemt, uitpluizen van het psychische. Nu
noemen we dit psychodynamica (1900). Gedrag wordt bepaald door het onbewuste.
Mensen worden geboren met driften. Persoonlijkheid is opgebouwd uit drie delen:
Id: het onbewuste (duiveltje)
Super ego: het geweten (engeltje)
Ego: het bewuste (je gezonde verstand, dat rekening houdt met wat wel en niet mag)
Freud geloofde dat er gekeken moest worden naar de eerste 5 levensjaren om een mens te
begrijpen.
Behavioristisch perspectief (begin 1900)
wetenschap van het gedrag/Behavior.
Alleen zekerheid door dat wat je kunt zien, het gedrag.
Het is waarneembaar en meetbaar. Het brein is een black box, wat daar gebeurd kun je niet
waarnemen.
Het gedrag van mensen wordt bepaald door leerprocessen.
Klassiek conditioneren (Pavlov) hf. 16
Operant conditioneren (Skinner) hf. 17
Gedragstherapie is vanuit dit perspectief ontstaan.
,Humanistisch perspectief Abraham Maslow (1908-1970) en Carl Rogers
(1902-1987)
De nadruk ligt op de mens:
Zelfontplooiing en belevingswereld
In de hulpverlening betekend dit dat elke mens uniek is en zelf aangeeft wat die wil. Daarbij is
empathie erg belangrijk.
Gestalt perspectief (1930)
We willen ons leven graag als geheel=gestalt zien en voelen en dat beïnvloed ons gedrag. We zien
dan ook geen losse onderdelen maar een geheel.
Cognitief perspectief (jaren 50)
Onderzoek naar cognitie= geheugen.
Informatieverwerking
Werking van het geheugen
Probleem oplossen
Leren leren
Je gedrag wordt beïnvloed door je denken.
Cognitieve therapie.
Neurofysiologisch perspectief (nieuw)
Neurowetenschap: tegenwoordig kunnen we veel beter kijken naar wat er letterlijk in de hersenen
gebeurd.
Systeemperspectief
Hf. 7
, Phineas Gage
13 september 1848
staaf door prefrontale cortex
wel overleefd, maar persoonlijkheidsverandering
hoofdstuk 3 lichaamstaal
Kluger Hans (1885-1916) Kluger Hans effect/ slimme hans effect
Paard weet het juiste antwoord op vragen door de lichaamstaal en gezichtsuitdrukkingen van de
vraagsteller bij het juiste antwoord. Dit effect houdt in dat je weet wat iemand wil dat je doet.
Still face experiment
Moeder reageert niet met gezichtsuitdrukkingen op haar kind. Kind doet alles voor aandacht en raakt
snel van slag.
Watzlawick (1921-2007)
Een idee coderen we en brengen we over op een ander die dit dan weer op hun manier decodeert.
3 basisprincipes van communicatie
1. Onmogelijk om niet te communiceren
2. Communiceren gebeurd op verschillende niveaus
Inhoud, wat er letterlijk gezegd wordt
Betrekking, de band tussen de zender en de ontvanger
Metacommunicatie
3. Interpunctieproblematiek, miscommunicaties in de verzonden boodschap en hoe die
ontvangen wordt
Lichaamstaal (Analoge communicatie): gebaren, mimiek, lichaamshouding, stemgeluid en
oogcontact.
Paradoxale opdrachten: tegenstrijdige eisen.