Hoofdstuk 6: Celadhesie
1. INLEIDING
cellen met dezelfde vorm en functie vormen nieuwe structuur: weefsel
o cellen binnen weefsel werken samen om gemeenschappelijke functie uit te
oefenen:
contractie (spierweefsel)
signaaltransductie (zenuwweefsel)
maken van een barrière tussen binnen/buiten (bedekkende epithelen)
secretie (klierepithelen)
stevigheid (steunweefsels)
twee manieren van contact:
o direct cel/cel contact: rechtstreeks met elkaar in contact (vb: epitheel)
o cel/matrix contact: via een acellulair extracellulair compartiment:
extracellulaire of intercellulaire matrix
ECM van epitheliale sheets
ECM in nietepitheliale weefsels
in sommige weefsels: extracellulaire celcompartiment bepaalt
eigenschappen weefsel
2. CELADHESIE MOLECULEN (CAMs)
2.1. ALGEMEEN
vaak transmembraaneiwitten
verbinden cellen met elkaar of met componenten uit ECM
kunnen ‘clusteren’ celjuncties (structureel waarneembare veranderingen in
celmembraan)
o opm: celjuncties worden vaak beschreven in de epithelia
belang van interacties tussen cellen of tussen cellen en ECM
o versteviging
o informatieoverdracht
4 families:
o cadherinen
o immunoglobuline (ig) familie
o integrinen
o selectinen
twee klassen:
73
, o C
a
+
+
afhankelijke: cadherinen, selectinen
o Ca++onafhankelijke: ig, integrinen
2.2. SELECTINEN
Caafhankelijk
74
, binden op koolhydraten (glycoproteïnen, glycolipiden) via een koolhydraat
herkenningsdomein (CRD)
soorten:
o Pselectine: bloedplaatjes, endotheel
o Eselectine: endotheel
o Lselectine: leukocyten
2.3. INTEGRINES
2.3.1. ALGEMEEN
vooral bekend als celsubstraat adhesiemoleculen, maar bevat ook celcel
adhesiemoleculen
vaak betrokken bij adhesie tussen witte bloedcellen en endotheelcellen
alle transmembranaire heterodimeren (bestaande uit een monomeer en een
monomeer) zijn integrines
binding met ligand gebeurt aan extracellulaire aminotermini, waar contact is tussen
en keten
2.3.2. BASISSTRUCTUUR VAN INTEGRINES
heterodimeren met twee transmembranaire ketens ( en )
subeenheid bindt divalente ionen (Mg2+, Mn2+, Ca2+)
gebied dat bij vele integrines aan diverse ECMeiwitten bindt, bestaat
uit delen van beide ketens
cytoplasmatische domeinen
o kort
o interageren met signaliserende moleculen
o gekoppeld aan actinecytoskelet
2.3.3. INTEGRINEBINDING
extracellulair domein bindt aan tripeptide RGD (Arg, Gly, Asp)
o reageren op hun beurt met oa collageen IV en heparansulfaat
o cytoplasmatisch deel bindt actine via proteïnen
drie verschillende manieren voor integrinebinding:
o binding aan eiwit van ECM (bv: fibronectine)
o binding aan een IgCAM (bv: ICAM1)
75
1. INLEIDING
cellen met dezelfde vorm en functie vormen nieuwe structuur: weefsel
o cellen binnen weefsel werken samen om gemeenschappelijke functie uit te
oefenen:
contractie (spierweefsel)
signaaltransductie (zenuwweefsel)
maken van een barrière tussen binnen/buiten (bedekkende epithelen)
secretie (klierepithelen)
stevigheid (steunweefsels)
twee manieren van contact:
o direct cel/cel contact: rechtstreeks met elkaar in contact (vb: epitheel)
o cel/matrix contact: via een acellulair extracellulair compartiment:
extracellulaire of intercellulaire matrix
ECM van epitheliale sheets
ECM in nietepitheliale weefsels
in sommige weefsels: extracellulaire celcompartiment bepaalt
eigenschappen weefsel
2. CELADHESIE MOLECULEN (CAMs)
2.1. ALGEMEEN
vaak transmembraaneiwitten
verbinden cellen met elkaar of met componenten uit ECM
kunnen ‘clusteren’ celjuncties (structureel waarneembare veranderingen in
celmembraan)
o opm: celjuncties worden vaak beschreven in de epithelia
belang van interacties tussen cellen of tussen cellen en ECM
o versteviging
o informatieoverdracht
4 families:
o cadherinen
o immunoglobuline (ig) familie
o integrinen
o selectinen
twee klassen:
73
, o C
a
+
+
afhankelijke: cadherinen, selectinen
o Ca++onafhankelijke: ig, integrinen
2.2. SELECTINEN
Caafhankelijk
74
, binden op koolhydraten (glycoproteïnen, glycolipiden) via een koolhydraat
herkenningsdomein (CRD)
soorten:
o Pselectine: bloedplaatjes, endotheel
o Eselectine: endotheel
o Lselectine: leukocyten
2.3. INTEGRINES
2.3.1. ALGEMEEN
vooral bekend als celsubstraat adhesiemoleculen, maar bevat ook celcel
adhesiemoleculen
vaak betrokken bij adhesie tussen witte bloedcellen en endotheelcellen
alle transmembranaire heterodimeren (bestaande uit een monomeer en een
monomeer) zijn integrines
binding met ligand gebeurt aan extracellulaire aminotermini, waar contact is tussen
en keten
2.3.2. BASISSTRUCTUUR VAN INTEGRINES
heterodimeren met twee transmembranaire ketens ( en )
subeenheid bindt divalente ionen (Mg2+, Mn2+, Ca2+)
gebied dat bij vele integrines aan diverse ECMeiwitten bindt, bestaat
uit delen van beide ketens
cytoplasmatische domeinen
o kort
o interageren met signaliserende moleculen
o gekoppeld aan actinecytoskelet
2.3.3. INTEGRINEBINDING
extracellulair domein bindt aan tripeptide RGD (Arg, Gly, Asp)
o reageren op hun beurt met oa collageen IV en heparansulfaat
o cytoplasmatisch deel bindt actine via proteïnen
drie verschillende manieren voor integrinebinding:
o binding aan eiwit van ECM (bv: fibronectine)
o binding aan een IgCAM (bv: ICAM1)
75