4.1 Elektrische vermogen en capaciteit:
Het symbool voor spanning is U en de eenheid is volt (V). het symbool voor stroomsterkte is I
en de eenheid is ampère (A).
De energie die een apparaat per seconde gebruikt, is het vermogen. Het symbool voor
vermogen is P en de eenheid is watt (W). Hoe groter het vermogen, hoe meer energie. Het
elektrische vermogen kun je berekenen met de volgende formule:
P=UxI
P: elektrische vermogen in W (watt)
U: spanning in V (volt)
I: stroomsterkte in A (ampère)
De capaciteit wordt bepaald door de stroomsterkte die de accu gedurende een bepaalde tijd
kan leveren. De capaciteit bereken je door de stroomsterkte in ampère te vermenigvuldigen
met de tijd in uur. Het symbool voor capaciteit is C en de eenheid is ampère-uur (Ah). Een
accu met de capaciteit van 1 Ah kan dus gedurende 1 uur een stroom van 1 A leveren.
4.2 Weerstand:
Een apparaat dat de stroom gemakkelijk doorlaat, heeft een kleine elektrische weerstand.
De grootheid van weerstand geef je aan met de letter R en de eenheid is ohm (Ω)
Bij gelijke spanning zorgt een kleine weerstand voor een grote stroomsterkte en een grote
weerstand voor een kleine stroomsterkte. Er is dus een verband tussen spanning, weerstand
en stroomsterkte. De volgende formule laat dit verband zien:
U
R=
I
R: weerstand in Ω
U: spanning in V
I: stroomsterkte in A
Als de spanning over de weerstand twee keer zo groot wordt, wordt de stroomsterkte in
weerstand ook twee keer zo groot. Dit verband heet de wet van Ohm.