H3. Het specifiek verweer
1. Inleiding
Kenmerken van het specifiek verweer:
Antigeen specifiek → het specifiek verweer reageert tegen een bepaald motief
Systemisch → de reactie blijft niet beperkt tot de plaats van infectie
Geheugen → na 1ste contact (sensibilisatie) wordt de reactie versterkt bij een volgende
herkenning (secundaire respons)
Discriminatie tussen eigen en niet-eigen → het specifiek verweer is tolerant tegen
lichaamseigen motieven + reageert tegen
lichaamsvreemde structuren
Heeft een cellulair + humoraal luik
→ De 2 luiken staan in verbinding met elkaar d.m.v. cytokines
→ Humoraal = antilichaam gestuurde immuniteit
→ Cellulair = cel-gemedieerd
→ Cellen als doelwit (bv. virus in cel, transplantatie of transfusiecellen)
→ Kan direct (lysis/afbraak) of indirect (vrijzetting van mediatoren die het
ontstekingsproces starten + lymfocyten en macrofagen activeren) zijn
Selectieve herkenning
→ Wordt gebruikt bij:
- Vaccinatie
→ Voor de opstart van antilichaamproductie als sensibilisatie
→ Bij een volgend contact is er een snelle + grote productie van de passende
antilichamen
- Productie van antisera (serum dat antilichamen bevat die specifiek gericht zijn tegen
een bepaald antigeen of ziekteverwekker)
→ Door inspuiting van antigenen bij dieren
→ Voor gebruik bij passieve immunisatie wanneer het organisme zelf de tijd niet
heeft om antilichamen aan te maken
- Immuundiagnostiek
→ Met een specifiek antilichaam zoeken naar een antigeen (of omgekeerd)
→ De herkenning wordt geregistreerd via een detectiesysteem (zie verder)
Het verweer (herhaling):
, 2. Antigenen
Bij het specifiek verweer wordt de immuunrespons gestart door interactie tussen receptor en ligand
➔ Receptoren bevinden zich op celoppervlakken OF het zijn oplosbare moleculen (antilichaam)
➔ Hetzelfde geldt voor liganden (celgebonden antigenen OF oplosbare antigenen)
➔ De interacties tussen receptor en ligand activeren de leukocyten (WBC)
Een antigeen = een groepje liganden dat wordt herkend door cellen van het immuunsysteem
➔ Een epitoop of antigene determinant = het deel van een antigeen dat door het
immuunsysteem wordt herkend en waartegen antilichamen of T-celreceptoren worden
geproduceerd
→ Het is het kleinste individueel herkenbaar deel van een antigeen
→ 1 antigeen kan verschillende epitopen hebben
→ De som van de verschillende epitopen is het antigeen
➔ Antilichamen of immunoglobulinen = eiwitten die door het immuunsysteem worden
geproduceerd in reactie op de aanwezigheid van een antigeen
→ Ze zijn gespecialiseerd in het herkennen + binden van specifieke epitopen op het
oppervlak van een antigeen
→ De antigeenbindingsplaats is een specifieke locatie op een antilichaam dat deel uitmaakt
van de variabele regio van de lichte + zware keten
→ Het is de plaats waar het antilichaam bindt aan een specifiek epitoop
→ Is zeer specifiek voor een bepaald antigeen + cruciaal voor de functie van het
antilichaam in het immuunsysteem
➔ De indringer/microbe bevat verschillende complexe antigenen
→ De antigenen bevatten veel verschillende epitopen die elks kunnen herkend
worden door unieke receptoren (elk aanwezig op een andere cel)
➔ Een antigeen kan bestaan uit:
- Eén motief → hapteen (kan een immuunrespons opwekken)
- Meerdere dezelfde motieven → polysacchariden en homopolymeren
- Meerdere verschillende motieven → eiwitten
➔ Een motief = een herkenbaar patroon van aminozuren in een eiwit dat een
specifieke functie heeft
Eigenschappen van antigenen:
De molecuulmassa (M) is > 15000 g/mol (= 15 kDa)
Het zijn colloïdale deeltjes → klein maar groter dan een molecule (1 – 1000nm)
Fysische Ze hebben een welbepaalde elektrische lading → hangt van chemische structuur af
Het zijn conformeren / driedimensionale moleculen → ze bestaan uit verschillende
chemische componenten zoals eiwitten, polysachariden, lipiden of nucleïnezuren
Ze kunnen potent/toegankelijk zijn of doof/verborgen
→ Proteïnen en peptiden zijn het meest potent
→ Pollenkorrels + MO zijn sterke antigenen omdat ze eiwitten hebben op hun oppervlak
1. Inleiding
Kenmerken van het specifiek verweer:
Antigeen specifiek → het specifiek verweer reageert tegen een bepaald motief
Systemisch → de reactie blijft niet beperkt tot de plaats van infectie
Geheugen → na 1ste contact (sensibilisatie) wordt de reactie versterkt bij een volgende
herkenning (secundaire respons)
Discriminatie tussen eigen en niet-eigen → het specifiek verweer is tolerant tegen
lichaamseigen motieven + reageert tegen
lichaamsvreemde structuren
Heeft een cellulair + humoraal luik
→ De 2 luiken staan in verbinding met elkaar d.m.v. cytokines
→ Humoraal = antilichaam gestuurde immuniteit
→ Cellulair = cel-gemedieerd
→ Cellen als doelwit (bv. virus in cel, transplantatie of transfusiecellen)
→ Kan direct (lysis/afbraak) of indirect (vrijzetting van mediatoren die het
ontstekingsproces starten + lymfocyten en macrofagen activeren) zijn
Selectieve herkenning
→ Wordt gebruikt bij:
- Vaccinatie
→ Voor de opstart van antilichaamproductie als sensibilisatie
→ Bij een volgend contact is er een snelle + grote productie van de passende
antilichamen
- Productie van antisera (serum dat antilichamen bevat die specifiek gericht zijn tegen
een bepaald antigeen of ziekteverwekker)
→ Door inspuiting van antigenen bij dieren
→ Voor gebruik bij passieve immunisatie wanneer het organisme zelf de tijd niet
heeft om antilichamen aan te maken
- Immuundiagnostiek
→ Met een specifiek antilichaam zoeken naar een antigeen (of omgekeerd)
→ De herkenning wordt geregistreerd via een detectiesysteem (zie verder)
Het verweer (herhaling):
, 2. Antigenen
Bij het specifiek verweer wordt de immuunrespons gestart door interactie tussen receptor en ligand
➔ Receptoren bevinden zich op celoppervlakken OF het zijn oplosbare moleculen (antilichaam)
➔ Hetzelfde geldt voor liganden (celgebonden antigenen OF oplosbare antigenen)
➔ De interacties tussen receptor en ligand activeren de leukocyten (WBC)
Een antigeen = een groepje liganden dat wordt herkend door cellen van het immuunsysteem
➔ Een epitoop of antigene determinant = het deel van een antigeen dat door het
immuunsysteem wordt herkend en waartegen antilichamen of T-celreceptoren worden
geproduceerd
→ Het is het kleinste individueel herkenbaar deel van een antigeen
→ 1 antigeen kan verschillende epitopen hebben
→ De som van de verschillende epitopen is het antigeen
➔ Antilichamen of immunoglobulinen = eiwitten die door het immuunsysteem worden
geproduceerd in reactie op de aanwezigheid van een antigeen
→ Ze zijn gespecialiseerd in het herkennen + binden van specifieke epitopen op het
oppervlak van een antigeen
→ De antigeenbindingsplaats is een specifieke locatie op een antilichaam dat deel uitmaakt
van de variabele regio van de lichte + zware keten
→ Het is de plaats waar het antilichaam bindt aan een specifiek epitoop
→ Is zeer specifiek voor een bepaald antigeen + cruciaal voor de functie van het
antilichaam in het immuunsysteem
➔ De indringer/microbe bevat verschillende complexe antigenen
→ De antigenen bevatten veel verschillende epitopen die elks kunnen herkend
worden door unieke receptoren (elk aanwezig op een andere cel)
➔ Een antigeen kan bestaan uit:
- Eén motief → hapteen (kan een immuunrespons opwekken)
- Meerdere dezelfde motieven → polysacchariden en homopolymeren
- Meerdere verschillende motieven → eiwitten
➔ Een motief = een herkenbaar patroon van aminozuren in een eiwit dat een
specifieke functie heeft
Eigenschappen van antigenen:
De molecuulmassa (M) is > 15000 g/mol (= 15 kDa)
Het zijn colloïdale deeltjes → klein maar groter dan een molecule (1 – 1000nm)
Fysische Ze hebben een welbepaalde elektrische lading → hangt van chemische structuur af
Het zijn conformeren / driedimensionale moleculen → ze bestaan uit verschillende
chemische componenten zoals eiwitten, polysachariden, lipiden of nucleïnezuren
Ze kunnen potent/toegankelijk zijn of doof/verborgen
→ Proteïnen en peptiden zijn het meest potent
→ Pollenkorrels + MO zijn sterke antigenen omdat ze eiwitten hebben op hun oppervlak