Inhoud
Week 1;...................................................................................................................................................2
Hoorcollege medische kennis 1;.........................................................................................................2
Anatomie & fysiologie 18.4.................................................................................................................4
Klinische pathologie 15.3&15.4;.........................................................................................................4
Farmacologie 3.1 t/m 3.4 & 3.5.1.......................................................................................................6
Week 2;...................................................................................................................................................9
Hoorcollege medische kennis 2;.........................................................................................................9
Anatomie & fysiologie 6.6.2 en 6.6.3................................................................................................10
Klinische pathologie 9.3, 9.5&9.6;....................................................................................................11
Farmacologie 4.3.3 & 4.3.4...............................................................................................................13
Week 3;.................................................................................................................................................14
Hoorcollege medische kennis 3........................................................................................................14
Anatomie & fysiologie 12.5.3............................................................................................................16
Klinische pathologie 10.8 & 11.1......................................................................................................17
Farmacologie 11.3.1 t/m 11.3.4 & 11.4.3.........................................................................................17
Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen H10 neurocognitieve stoornissen;.............................19
Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen H17 ouderenpsychiatrie;...........................................25
Week 4;.................................................................................................................................................26
Hoorcollege medische kennis 4;.......................................................................................................26
Anatomie & fysiologie 6.1,6.2 en 6.5................................................................................................28
Klinische pathologie 8.1.1, 8.2, 4.3 & 8.6..........................................................................................30
Farmacologie 4.3.1, 4.3.2 & 5.3;.......................................................................................................33
Week 5;.................................................................................................................................................35
Hoorcollege medische kennis 5;.......................................................................................................35
Klinische pathologie 13.1 t/m 13.5;..................................................................................................36
Farmacologie 7.3;.............................................................................................................................39
Hulpboek medische kennis H7;.........................................................................................................39
Voeding bij gezondheid en ziekte 8.3 t/m 8.5;..................................................................................41
Week 6;.................................................................................................................................................44
Hoorcollege medische kennis 6;.......................................................................................................44
Klinische pathologie 13.6;.................................................................................................................45
Anatomie en fysiologie 7.3.2, 7.3.3 & 7.4.........................................................................................46
Week 7;.................................................................................................................................................47
, Hoorcollege medische kennis 7;.......................................................................................................47
Hoorcollege medische kennis 8;.......................................................................................................49
Hoorcollege medische kennis 9;.......................................................................................................50
Voeding bij gezondheid en ziekte H19;.............................................................................................51
Voeding bij gezondheid en ziekte H28;.............................................................................................51
Voeding bij gezondheid en ziekte H29;.............................................................................................53
Week 1;
Hoorcollege medische kennis 1;
Senioren-> 58-82 jaar.
,Bejaarden-> 83 jaar of ouder.
Verouderingsproces;
Lichamelijke veranderingen.
Psychische veranderingen.
Sociale veranderingen.
3 fysiologische levensfasen;
Conceptie- 20 jaar-> groei en ontwikkeling.
20-29 jaar -> geen verandering.
> 30 jaar -> afname kwaliteit van het organisme.
Nu hebben we dubbele vergrijzing in Nederland;
Meer ouderen.
Ouderen worden ouder.
Polyfarmacie; 5 of meer medicijnen.
Kwetsbaarheid-> een toestand van leeftijd-gerelateerde fysiologische kwetsbaarheid die voortkomt
uit verstoorde homeostatische reserves en een verminderd vermogen om weerstand te bieden aan
belasting.
Fried et al. 2001; criteria voor kwetsbaarheid;
Gewichtsverlies
Uitputting
Lichamelijke inactiviteit
Loopsnelheid
Handknijpkracht
Multimorbiditeit-> >2 bijkomende ziekten.
Geriatrische syndromen worden gekenmerkt door meerdere oorzaken die meerdere gevolgen kunnen
hebben.
Dementie-> neurodegeneratieve ziekte.
Kenmerken-> cognitieve achteruitgang bij een helder bewustzijn.
Problemen met onder andere geheugen, oriëntatie en plannen.
Vrije zuurstof radicalen ontstaan als bijproduct van de energie voorziening van alle lichaamscellen.
Ze kunnen DNA, eiwitten en vetten beschadigen.
Het DNA kan worden gerepareerd, de schade aan eiwitten en vetten is cumulatief en zorgt
voor functie achteruitgang van (alle) weefsels.
Slijtage theorie;
Essentiele weefsels raken defect.
Essentiele orgaanonderdelen raken defect.
De functies van de organen gaan achteruit.
DNA kan beschadigd raken door chemische en fysische processen-> zo’n beschadiging heet een
mutatie en is meestal nadelig.
Collagene vezels en elastische vezels worden verzwakt.
Proteoglycanen (houden water vast) nemen snel af.
Kans op huidkanker neemt toe door mutaties.
, Specifieke kwetsbaarheidsindicatoren voor een opname in zorginstelling;
Gewichtsverlies
Cognitieve beperkingen/ achteruitgang
Incontinentie
Relevante depressieve symptomen
Lichamelijke inactiviteit
Proces van sterven;
Zintuigen verminderen (gehoor!)
Spierverslapping
Circulatie, dyspnoe, rochelen, facies Hippocrates.
Ademhaling; cheyne-stokes
Psychische veranderingen
Anatomie & fysiologie 18.4
Bij de stervende mens kunnen allerlei verschijnselen waargenomen worden die duiden op de
desintegratie van het organisme als geheel;
Verlies van alle behoefte om te eten of drinken.
Spreken wordt moeilijk of verdwijnt.
Huidgevoel eerste zintuig wat afsterft; pijngewaarwording verdwijnt.
Gezichtsvermogen wordt minder, hoornvlies dof en troebel door ontbreken traanvocht.
Gehoor blijft het langst intact.
Circulatie wordt slechter; de lichaamsdelen het verst weg van het hart en neus koelen snel af.
Bloeddruk daalt, hartslag wordt vlak voor dood snel en onregelmatig.
De ademhaling is traag, onregelmatig en moeizaam.
In de luchtwegen hoopt slijm op.
Het spierweefsel wordt verslapt.
Verlies controle over kringspier van anus en blaas.
De stervende heeft typische gelaatsuitdrukking; facies hippocratica; spitse, bleke, koele
neuspunt, spitse kin, ingevallen slapen, koele oren, slappe lippen, slaphangende wangen.
De dood treedt in door zuurstofgebrek in de hersenen.
Een kwartier tot half uur na de dood ontstaan bruine, paarse verkleuringen. Dit noem je lijkvlekken.
Dit zijn het gevolg van ophopingen van het stilstaand en deels gestolde bloed in de dieper gelegen
weefsels.
Twee tot drie uur na de dood ontstaat rigor mortis, lijkstijfheid, dit begint bij het hoofd. Na 8 tot 12
uur is het lichaam geheel verstijfd.
De lijkstijfheid verdwijnt ongeveer na 30 uur, wanneer de eiwitten gaan ontbinden.
Ruim een etmaal na het intreden van de dood gaat het lichaam over tot ontbinden, dat wordt van
binnenuit veroorzaakt door bacteriën afkomstig uit het maag-darmkanaal. Tegelijkertijd komen in de
weefsels enzymen vrij die autolyse (zelfvertering) van de cellen veroorzaken.
Bij de ontbindingsprocessen treedt gasvorming op, hierdoor zet de buik van de overledene op. Het
lichaam ontbindt weer in de stoffen waaruit het leven destijds opbouwde.
Klinische pathologie 15.3&15.4;
Osteoporose is een skeletafwijking met afgenomen botmassa en een toegenomen risico op spontane
fracturen.