Begrippen Cultuurfilosofie
DEEL 1 : Cultuurfilosofie: een systematische benadering
H1: Cultuur
Afbakening en precisering 1. Menselijke activiteit als noodzakelijke voorwaarde:
‘cultuur’ cultuur < interactie met natuur
2. Algemeen begrip: elke activiteit als onderdeel van
cultuur, historisch gegroeide maatsch ordening
3. Symbolisch karakter: sociaal karakter, objectiviteit,
relatieve zelfstandigheid, talig karakter (onderscheid
van andere levende wezens < taal)
Onderscheid cultuur en = onderscheid nomos en physis, gemaakt en gegeven,
natuur cultuurobject en natuurobject, vertrouwd en vreemd
- Problemen Impliceert een breuk; ‘gemaakt >< gegeven’ volstaat niet
om verschil uit te leggen tss C en N; dynamische relatie C en
N w nt gethematiseerd: C en N onlosmakelijk verweven
Cultuur als cultura (Klassieke opvatting) C in verlengde van N (dynamische
interactie); landbouw: poging tot veralgemening,
menselijke handelingen < natuurlijke organische processen
Cultura animi (Cicero) (Etymologische opvatting) zelfontplooiing van de mens: zorg
voor de ziel is noodzl om mens te cultiveren (wonen &
onderhouden)
Formele opvatting Cultuur = ontplooiing & verwerkelijking v vermogen vd
mens, animal rationale, vermogen los vd cultuur (statisch)
>< correctie: vermogen = interactie tss mens en omgeving,
wederzijdse beïnvloeding, cultuur = resultaat v ontwikkeling
(dynamisch)
- Kant Mogelijkheidsvoorwaarden in vermogen vh subject, rede >
doelstellingen
- Hegel Ontwikkeling v Geist komt ten einde; vrijheid zichtbaar
waar menselijke handelingen zichtbaar w’en in natuur,
eigen vrijheid als algemene vrijheid, absolute vrijheid ><
meningsvrijheid
- Drievoudige relevantie Veralgemening concept ‘cultuur’; cultuur als autonoom
domein; interactie met andere wetenschapsdomeinen
H2: Wereld
Niet wetenschappelijk 1. Geen zintuigelijke waarneming, geen uitbreiding v
kennis: idee wereld = transcendent aan de ervaring
2. Geen algemeen inhoudelijke bepaling (context- en
tijdsgeboden)
Relevantie Transcendentaal: vertrouwdheid met wereld aan grondslag
vr zin en betekenis van wetenschapsbeoefening
, Empirisch: objectief/extern perspectief nt mogelijk,
betekenis < perspectief id wereld gesitueerd (paradoxaal)
Lichamelijke conditie In wereld gesitueerd perspectief = lichamelijk georiënteerd:
het beleefde lichaam waaraan de wereld verschijnt
- Merleau-Ponty Waarnemen mgl vanuit een in de wereld gesitueerd
lichaam, m! dat zelf niet onderdeel is vh waarnemingsveld;
niet exclusief menselijk: biologische continuïteit met het
levend organisme
- Interactie Levend organisme + biotoop = lichamelijk gemedieerd,
dynamisch & creatief; leven bestuderen dr interactie v
organisme met omgeving te objectiveren
≠ verhouding mens en wereld (vooronderstellingen)
Geologische relevantie Afstand mens en wereld: mens = natuurlijk wezen,
overschrijdt en verlegt grenzen v biotoop, niet
onderworpen aan natuurnoodzakelijkheid v biologische
afhankelijkheid, vermogen om doelgericht in te werken op
bio afh-heid
- Ontstaan? Creationisten < Oude Testament; Darwinisten: survival of
the fittest; m! vooronderstellingen >< niet-reductionistische
benadering: afstand veronderstelt transformatie
technische, talige & sociale mgl’en: aard vd transformatie &
dynamiek v veranderingsprocessen analyseren
Heidegger Ontologisch begrip: wereld als een ‘in-de-wereld-zijn’:
wereld verschijnt id manier waarop mens zich ertoe
verhoudt
- Bestaanswijze vd mens = verhouding mens – wereld; menselijke bestaansconditie
als een “wonen”, noodzakelijk gesitueerd (plaats) &
persoonlijk
- Vertrouwdheid met de = (be)zorgende verhouding tot de wereld; handigheid
wereld
- Betekenisvolle (gerichtheid vd) omgeving, dingen die in omgeving
samenhang verschijnen & omgang met dingen verwijzen nr elk en
verlenen betekenis; wereld = geheel v betekenissen waardr
omgang met dingen als zinvol verschijnt
>< Descartes Cartesiaans begrip: wereld als ‘res extensa’: wereld ≠ ding,
m! mogelijkheidsvoorwaarde vr verschijnen ve ding;
ruimtelijke bepaling v uitgebreidheid < ruimtelijke
oriëntatie id wereld; zijnswijze eerst onderzoeken (ipv
wereld eerst tot een zijnde/ding te reduceren)
Globalisering Wereld is veranderd: ruimtelijke transformatie, ecologisch
(invloed menselijke activiteit), economische transformatie
(vrije markt mondiaal), normatief (globalisten >< anti-
globalisten)
DEEL 1 : Cultuurfilosofie: een systematische benadering
H1: Cultuur
Afbakening en precisering 1. Menselijke activiteit als noodzakelijke voorwaarde:
‘cultuur’ cultuur < interactie met natuur
2. Algemeen begrip: elke activiteit als onderdeel van
cultuur, historisch gegroeide maatsch ordening
3. Symbolisch karakter: sociaal karakter, objectiviteit,
relatieve zelfstandigheid, talig karakter (onderscheid
van andere levende wezens < taal)
Onderscheid cultuur en = onderscheid nomos en physis, gemaakt en gegeven,
natuur cultuurobject en natuurobject, vertrouwd en vreemd
- Problemen Impliceert een breuk; ‘gemaakt >< gegeven’ volstaat niet
om verschil uit te leggen tss C en N; dynamische relatie C en
N w nt gethematiseerd: C en N onlosmakelijk verweven
Cultuur als cultura (Klassieke opvatting) C in verlengde van N (dynamische
interactie); landbouw: poging tot veralgemening,
menselijke handelingen < natuurlijke organische processen
Cultura animi (Cicero) (Etymologische opvatting) zelfontplooiing van de mens: zorg
voor de ziel is noodzl om mens te cultiveren (wonen &
onderhouden)
Formele opvatting Cultuur = ontplooiing & verwerkelijking v vermogen vd
mens, animal rationale, vermogen los vd cultuur (statisch)
>< correctie: vermogen = interactie tss mens en omgeving,
wederzijdse beïnvloeding, cultuur = resultaat v ontwikkeling
(dynamisch)
- Kant Mogelijkheidsvoorwaarden in vermogen vh subject, rede >
doelstellingen
- Hegel Ontwikkeling v Geist komt ten einde; vrijheid zichtbaar
waar menselijke handelingen zichtbaar w’en in natuur,
eigen vrijheid als algemene vrijheid, absolute vrijheid ><
meningsvrijheid
- Drievoudige relevantie Veralgemening concept ‘cultuur’; cultuur als autonoom
domein; interactie met andere wetenschapsdomeinen
H2: Wereld
Niet wetenschappelijk 1. Geen zintuigelijke waarneming, geen uitbreiding v
kennis: idee wereld = transcendent aan de ervaring
2. Geen algemeen inhoudelijke bepaling (context- en
tijdsgeboden)
Relevantie Transcendentaal: vertrouwdheid met wereld aan grondslag
vr zin en betekenis van wetenschapsbeoefening
, Empirisch: objectief/extern perspectief nt mogelijk,
betekenis < perspectief id wereld gesitueerd (paradoxaal)
Lichamelijke conditie In wereld gesitueerd perspectief = lichamelijk georiënteerd:
het beleefde lichaam waaraan de wereld verschijnt
- Merleau-Ponty Waarnemen mgl vanuit een in de wereld gesitueerd
lichaam, m! dat zelf niet onderdeel is vh waarnemingsveld;
niet exclusief menselijk: biologische continuïteit met het
levend organisme
- Interactie Levend organisme + biotoop = lichamelijk gemedieerd,
dynamisch & creatief; leven bestuderen dr interactie v
organisme met omgeving te objectiveren
≠ verhouding mens en wereld (vooronderstellingen)
Geologische relevantie Afstand mens en wereld: mens = natuurlijk wezen,
overschrijdt en verlegt grenzen v biotoop, niet
onderworpen aan natuurnoodzakelijkheid v biologische
afhankelijkheid, vermogen om doelgericht in te werken op
bio afh-heid
- Ontstaan? Creationisten < Oude Testament; Darwinisten: survival of
the fittest; m! vooronderstellingen >< niet-reductionistische
benadering: afstand veronderstelt transformatie
technische, talige & sociale mgl’en: aard vd transformatie &
dynamiek v veranderingsprocessen analyseren
Heidegger Ontologisch begrip: wereld als een ‘in-de-wereld-zijn’:
wereld verschijnt id manier waarop mens zich ertoe
verhoudt
- Bestaanswijze vd mens = verhouding mens – wereld; menselijke bestaansconditie
als een “wonen”, noodzakelijk gesitueerd (plaats) &
persoonlijk
- Vertrouwdheid met de = (be)zorgende verhouding tot de wereld; handigheid
wereld
- Betekenisvolle (gerichtheid vd) omgeving, dingen die in omgeving
samenhang verschijnen & omgang met dingen verwijzen nr elk en
verlenen betekenis; wereld = geheel v betekenissen waardr
omgang met dingen als zinvol verschijnt
>< Descartes Cartesiaans begrip: wereld als ‘res extensa’: wereld ≠ ding,
m! mogelijkheidsvoorwaarde vr verschijnen ve ding;
ruimtelijke bepaling v uitgebreidheid < ruimtelijke
oriëntatie id wereld; zijnswijze eerst onderzoeken (ipv
wereld eerst tot een zijnde/ding te reduceren)
Globalisering Wereld is veranderd: ruimtelijke transformatie, ecologisch
(invloed menselijke activiteit), economische transformatie
(vrije markt mondiaal), normatief (globalisten >< anti-
globalisten)