Instuderen hoofdstuk 9 : fysiologie
A. Enkele vragen aangaande de leerstof
1. Het verschil weten tussen cytologie, anatomie, morfologie en
fysiologie van planten.
Cytologie: opbouw v plantencel
Anatomie: opbouw plantendelen, structuur v weefsels
Morfologie: uitwendige kenmerken (wortel, stengel, blad, bloem, vrucht, zaad)
Fysiologie: mechanisme vh functioneren v planten. Niveau: cel
hele organisme
Het verschil kennen tussen autotrofie en heterotrofie.
Autotrofie: doen fotosynthese = planten
Heterotrofie: doen geen fotosynthese = dieren
2. Weten wat bladgroenkorrels zijn.
= chloroplasten (levende organellen binnen de plantencel)
Bevatten fotosynthetische pigmenten
3. Fotosynthetische pigmenten kunnen opnoemen
Chlorofyl a & b (groen)
Caroteen (oranje/geel)
Xanthofyl (kleurloos/geel)
4. Kunnen beschrijven wat licht is.
= elektromagnetische straling die we kunnen zien
Ontstaat uit atomen die energie bevatten deze energie wordt uitgestraald
5. Weten wat een pigment met licht doet.
Absorptie & weerkaatsing v kleuren
Absorptie
o Chlorofyl a & b: blauw, rood
o Caroteen: blauw
Weerkaatsen
o Chlorofyl a & b: groen
o Caroteen: groen, geel, rood
daarom zien wij groen blad en herfstverkleuring
Blauw en rood licht nodig voor fotosynthese
1
, 6. De lichtreacties in de fotosynthese kunnen beschrijven.
(direct zonlicht nodig):
Fotosysteem II
= lichtenergie 🔀 chemische energie (=ATP)
Antennes:
lichtenergietransfer naar reactiecentrum (fotonen)
Reactiecentrum:
aangeslagen toestand: e- komt los v chlorofylmolecule
e- naar e--acceptor
Fotolyse v water
= water wordt afgebroken ontstaan v O2 (zuurstofgas)
Fotosysteem I
e- via transportketen naar FS I
transportketen levert ATP
e- terug in aangeslagen toestand
7. De donkerreactie kort kunnen beschrijven.
= calvin-cyclus
gebeurt in stroma
geen licht nodig
E uit ATP
8. Het belang van de fotosynthese kunnen weergeven.
= essentieel voor alle leven op aarde
2
A. Enkele vragen aangaande de leerstof
1. Het verschil weten tussen cytologie, anatomie, morfologie en
fysiologie van planten.
Cytologie: opbouw v plantencel
Anatomie: opbouw plantendelen, structuur v weefsels
Morfologie: uitwendige kenmerken (wortel, stengel, blad, bloem, vrucht, zaad)
Fysiologie: mechanisme vh functioneren v planten. Niveau: cel
hele organisme
Het verschil kennen tussen autotrofie en heterotrofie.
Autotrofie: doen fotosynthese = planten
Heterotrofie: doen geen fotosynthese = dieren
2. Weten wat bladgroenkorrels zijn.
= chloroplasten (levende organellen binnen de plantencel)
Bevatten fotosynthetische pigmenten
3. Fotosynthetische pigmenten kunnen opnoemen
Chlorofyl a & b (groen)
Caroteen (oranje/geel)
Xanthofyl (kleurloos/geel)
4. Kunnen beschrijven wat licht is.
= elektromagnetische straling die we kunnen zien
Ontstaat uit atomen die energie bevatten deze energie wordt uitgestraald
5. Weten wat een pigment met licht doet.
Absorptie & weerkaatsing v kleuren
Absorptie
o Chlorofyl a & b: blauw, rood
o Caroteen: blauw
Weerkaatsen
o Chlorofyl a & b: groen
o Caroteen: groen, geel, rood
daarom zien wij groen blad en herfstverkleuring
Blauw en rood licht nodig voor fotosynthese
1
, 6. De lichtreacties in de fotosynthese kunnen beschrijven.
(direct zonlicht nodig):
Fotosysteem II
= lichtenergie 🔀 chemische energie (=ATP)
Antennes:
lichtenergietransfer naar reactiecentrum (fotonen)
Reactiecentrum:
aangeslagen toestand: e- komt los v chlorofylmolecule
e- naar e--acceptor
Fotolyse v water
= water wordt afgebroken ontstaan v O2 (zuurstofgas)
Fotosysteem I
e- via transportketen naar FS I
transportketen levert ATP
e- terug in aangeslagen toestand
7. De donkerreactie kort kunnen beschrijven.
= calvin-cyclus
gebeurt in stroma
geen licht nodig
E uit ATP
8. Het belang van de fotosynthese kunnen weergeven.
= essentieel voor alle leven op aarde
2