Instuderen hoofdstuk 2 : plantensystematiek
A. Enkele vragen aangaande de leerstof
1. Evolutie is drieledig. Dit kunnen illustreren. – zie dia 3
Soorten ontstaan / veranderen / verdwijnen
2. Betekenis geven aan de volgende strekkingen: fixisme –
creationisme –intelligent design – generatio spontanea –
catastrofentheorie – lamarckisme – neodarwinisme.
Fixisme
- soorten onveranderlijk + kunnen niet uitsterven
- waarschijnlijk gemeenschappelijke voorouder
Creationisme
- religieus
- scheppingsdaad ontstaan van alles
Intelligent Design
- Zie creationisme
- intellectueel wezen verantwoordelijk
Generatio spontanea
- ontstaan van leven uit niet-levende stoffen
- Aristoteles
- Redi ontkrachtte dit, later ook Pasteur
Catastrofentheorie
- soorten onveranderlijk
- na elke catastrofe nieuwe soorten
- Cuvier: ontdekking van fossielen
Lamarckisme
- soorten geleidelijke verandering
- overerving van verworven eigenschappen
(door aanpassing aan de omgeving of aan veranderende
omstandigheden)
(VB. konijn moet in steeds hardere grond graven krijgt sterkere
spieren, nakomelingen zullen ook sterkere spieren hebben)
- Lamarck
Neo-darwinisme
- Evolutietheorie Darwin + huidige kennis over erfelijkheid
- Mendel: erfelijkheidsleer
1
, 3. Kunnen weergeven waarom het creationisme, het fixisme en de
catastrofentheorie niet aanvaardbaar is.
Fixisme
- Lamarckisme: soorten geleidelijke verandering
- zie uitleg (neo-)darwinisme
Creationisme
- Onzekerheidsmarges vd koolstofmethode voor
ouderdomsbepaling
- Fossielen uit verschillende geologische perioden
zitten nooit in zelfde geologische laag
Catastrofentheorie
- Lamarckisme: soorten geleidelijke verandering
- zie uitleg (neo-)darwinisme
4. Weergeven dat evolutie gepaard gaat met variatie in erfelijke
eigenschappen.
- Zelfde soort toch steeds iets anders uiterlijk (slakkenhuis,
giraffenpatroon, …)
- Mutaties: witte pauw, schildpad, slang, gorilla (albinisme)
5. Weergeven dat evolutie gepaard gaat met een natuurlijke
selectie.
Survival of the fittest / Struggle for life:
- Soorten meer nakomelingen dan er effectief zijn.
- Beste aangepast grootste overlevingskans
- Vb: Muizen nakomelingen: opgegeten door roofdier, niet genoeg
eten, vindt geen partner
6. Weergeven dat evolutie gepaard gaat met het ontstaan van
nieuwe soorten.
- Door isolatie: bergen, water, land, …
- Door aanpassing aan omstandigheden: nat/droog, zon/schaduw,
hoog/laag, …
2
A. Enkele vragen aangaande de leerstof
1. Evolutie is drieledig. Dit kunnen illustreren. – zie dia 3
Soorten ontstaan / veranderen / verdwijnen
2. Betekenis geven aan de volgende strekkingen: fixisme –
creationisme –intelligent design – generatio spontanea –
catastrofentheorie – lamarckisme – neodarwinisme.
Fixisme
- soorten onveranderlijk + kunnen niet uitsterven
- waarschijnlijk gemeenschappelijke voorouder
Creationisme
- religieus
- scheppingsdaad ontstaan van alles
Intelligent Design
- Zie creationisme
- intellectueel wezen verantwoordelijk
Generatio spontanea
- ontstaan van leven uit niet-levende stoffen
- Aristoteles
- Redi ontkrachtte dit, later ook Pasteur
Catastrofentheorie
- soorten onveranderlijk
- na elke catastrofe nieuwe soorten
- Cuvier: ontdekking van fossielen
Lamarckisme
- soorten geleidelijke verandering
- overerving van verworven eigenschappen
(door aanpassing aan de omgeving of aan veranderende
omstandigheden)
(VB. konijn moet in steeds hardere grond graven krijgt sterkere
spieren, nakomelingen zullen ook sterkere spieren hebben)
- Lamarck
Neo-darwinisme
- Evolutietheorie Darwin + huidige kennis over erfelijkheid
- Mendel: erfelijkheidsleer
1
, 3. Kunnen weergeven waarom het creationisme, het fixisme en de
catastrofentheorie niet aanvaardbaar is.
Fixisme
- Lamarckisme: soorten geleidelijke verandering
- zie uitleg (neo-)darwinisme
Creationisme
- Onzekerheidsmarges vd koolstofmethode voor
ouderdomsbepaling
- Fossielen uit verschillende geologische perioden
zitten nooit in zelfde geologische laag
Catastrofentheorie
- Lamarckisme: soorten geleidelijke verandering
- zie uitleg (neo-)darwinisme
4. Weergeven dat evolutie gepaard gaat met variatie in erfelijke
eigenschappen.
- Zelfde soort toch steeds iets anders uiterlijk (slakkenhuis,
giraffenpatroon, …)
- Mutaties: witte pauw, schildpad, slang, gorilla (albinisme)
5. Weergeven dat evolutie gepaard gaat met een natuurlijke
selectie.
Survival of the fittest / Struggle for life:
- Soorten meer nakomelingen dan er effectief zijn.
- Beste aangepast grootste overlevingskans
- Vb: Muizen nakomelingen: opgegeten door roofdier, niet genoeg
eten, vindt geen partner
6. Weergeven dat evolutie gepaard gaat met het ontstaan van
nieuwe soorten.
- Door isolatie: bergen, water, land, …
- Door aanpassing aan omstandigheden: nat/droog, zon/schaduw,
hoog/laag, …
2