Wetenschapsfilosofie denkt na over wat de wetenschap is, hoe het werkt en welke inzichten het ons geeft.
Idealisatie is het verkleinen / versimpelen van dingen om het te begrijpen.
Problemen in filosofie van ecologie:
Partiële observatie: altijd een imperfect idee over hoeveel er daadwerkelijk is omdat niet alles onderzocht kan
worden. Daarnaast weten we ook niet welke soorten er zijn en welk gevolg deze op elkaar hebben.
Complexity probleem: moeilijk te begrijpen en verwachten wat gaat komen.
Uniqueness probleem: door de omstandigheden in het verleden ziet het er zo uit maar als die anders waren,
was het ook anders geweest.
Wat zijn de units van ecologie is ook een probleem.
Video 3:
Modellen worden gebruikt om alle informatie uit de fielddata te halen.
Een model: een representation of the portion of a biological world, that we are interested in.
Mathematical model: hierbij heb je geen data nodig, want die kan je zelf maken.
Discriptive models: hierbij worden bepaalde aspecten van de environment beschreven en uitgelegd (Lotka-
Volterra bijvoorbeeld). Hierbij worden verschillende aannames gedaan.
Normative models: hierbij wordt niks beschreven over hoe het is, maar over hoe het moet zijn. Hierbij zijn er
values over hoe het moet zijn, daar moet je opletten.
In ecology worden bijvoorbeeld ook veel individual-based models worden gebruikt. Het voordeel is dat je
bepaalde dingen kan meenemen, die je niet in andere modellen kan meenemen. Het nadeel is dat er daardoor
heel veel variabelen meespelen waardoor het moeilijk is deze te gebruiken.\
Critical point in modeling:
1. Hoe bepaalde ideeën of modellen moeten worden gerealiseerd --> conceptualization, justification and
idealization.
2. Uncritical emulation of mathematical models -- > dit type model is niet per se beter
3. Reductionism -- > Hierbij wordet in klassieke modellen er niet stilgestaan bij de interacties tussen
individuen, zoals competition en growthrate etc.
Video 4:
Explination in biology:
1. Laws
2. Causality
3. Mechanistic explanation
4. Teleology -- > Adaptationiscm debate
a. Hierbij vertelt het waarom iets door de aim / purpose (explaining through future states)
Variatie en natuurlijke selectie zorgen voor adaptie. Voorbeelden zijn gedragingen, veranderingen aan
lichaam / aanpassen habitat
Video 5:
What is biodiversity: the reliability of the life.
Bias voor bepaalde species zoals vertebraten die meer worden gebruikt.
Hoe meet je biodiversiteit: speciesrichness (aantal species in een gebied), speciesevenness (distributie in
gebied), genetic diversity.
Challenges of measurinig biodiversity:
1.Incomplete knowledge: we weten niet alles wat meespeelt in de biodiversiteit
2.Taxonomic complexity: soms zeg je dat twee dieren van dezelfde soort zijn maar dat is niet zo, wat het lastig
maakt om juiste conclusies te trekken.
3.Temporal spatial scale: het kiezen van de juiste straal omdat dieren zich ook kunnen verplaatsen.
, Video 6:
What is anthropocene: een stadia waarin de natuurlijke gebieden met de menselijke gebieden interacties
aangaan waardoor de aarde veranderd. Hoe de mensen de aarde veranderen en de dieren en ecosystemen, die
erop leven. Het is niet terugkeerbaar.
Why anthropocene: om het een echte scientific term te maken moet je bewijs hebben om te laten zien dat de
mens deze invloed heeft. Maar niet iedere mens doet evenveel mee wat het lastig maakt. Zo hebben we niet
allemaal evenveel invloed erop ivm politiek etc.
Alternative terms:
1.Anthropogenic (de social structure leidt tot de verandering, niet de gehele mensheid)
2.Capitalocene: hierbij hang je deels af van allpaid resources
Relevance of colonialism: de mensen moeten sufferen door gevolgen van de colonisers, maar die zijn al weer
vertrokken.
Video 7:
Categorieën extinctie:
1. Descriptive concepts: deze zullen samenhangen met de actuele status van de soort (De soort is extinct
omdat er geen members meer zijn). Hiervoor zijn verschillende manieren:
a. Specialisatie: er zullen verschillende nieuwe soorten vormen of één andere soort
2. Epistemic: een soort is extinct als we weten dat alle members dood zijn. Dit kan alleen worden
toegepast op soorten waarvoor exhaustive surveys zijn uitgedaan.
3. Declarative: een soort is extinct als is verklaard dat deze extinct is. Deze verklaring is vaak van een
belangrijke organisatie zoals de IUCN.
species can be widely dispersed, be extremely localized, inhabit hard-to -access environments, have unusual
lifecycles, be well-camouflaged, be nocturnal, be naturally solitary, be hard to distinguish from similar species,
be extremely small, be migratory, or hibernate for parts of the year. This is not even an exhaustive list of
possible obstacles to carrying out surveys of living species.
Proposals: twin concepts en thick concept
Idealisatie is het verkleinen / versimpelen van dingen om het te begrijpen.
Problemen in filosofie van ecologie:
Partiële observatie: altijd een imperfect idee over hoeveel er daadwerkelijk is omdat niet alles onderzocht kan
worden. Daarnaast weten we ook niet welke soorten er zijn en welk gevolg deze op elkaar hebben.
Complexity probleem: moeilijk te begrijpen en verwachten wat gaat komen.
Uniqueness probleem: door de omstandigheden in het verleden ziet het er zo uit maar als die anders waren,
was het ook anders geweest.
Wat zijn de units van ecologie is ook een probleem.
Video 3:
Modellen worden gebruikt om alle informatie uit de fielddata te halen.
Een model: een representation of the portion of a biological world, that we are interested in.
Mathematical model: hierbij heb je geen data nodig, want die kan je zelf maken.
Discriptive models: hierbij worden bepaalde aspecten van de environment beschreven en uitgelegd (Lotka-
Volterra bijvoorbeeld). Hierbij worden verschillende aannames gedaan.
Normative models: hierbij wordt niks beschreven over hoe het is, maar over hoe het moet zijn. Hierbij zijn er
values over hoe het moet zijn, daar moet je opletten.
In ecology worden bijvoorbeeld ook veel individual-based models worden gebruikt. Het voordeel is dat je
bepaalde dingen kan meenemen, die je niet in andere modellen kan meenemen. Het nadeel is dat er daardoor
heel veel variabelen meespelen waardoor het moeilijk is deze te gebruiken.\
Critical point in modeling:
1. Hoe bepaalde ideeën of modellen moeten worden gerealiseerd --> conceptualization, justification and
idealization.
2. Uncritical emulation of mathematical models -- > dit type model is niet per se beter
3. Reductionism -- > Hierbij wordet in klassieke modellen er niet stilgestaan bij de interacties tussen
individuen, zoals competition en growthrate etc.
Video 4:
Explination in biology:
1. Laws
2. Causality
3. Mechanistic explanation
4. Teleology -- > Adaptationiscm debate
a. Hierbij vertelt het waarom iets door de aim / purpose (explaining through future states)
Variatie en natuurlijke selectie zorgen voor adaptie. Voorbeelden zijn gedragingen, veranderingen aan
lichaam / aanpassen habitat
Video 5:
What is biodiversity: the reliability of the life.
Bias voor bepaalde species zoals vertebraten die meer worden gebruikt.
Hoe meet je biodiversiteit: speciesrichness (aantal species in een gebied), speciesevenness (distributie in
gebied), genetic diversity.
Challenges of measurinig biodiversity:
1.Incomplete knowledge: we weten niet alles wat meespeelt in de biodiversiteit
2.Taxonomic complexity: soms zeg je dat twee dieren van dezelfde soort zijn maar dat is niet zo, wat het lastig
maakt om juiste conclusies te trekken.
3.Temporal spatial scale: het kiezen van de juiste straal omdat dieren zich ook kunnen verplaatsen.
, Video 6:
What is anthropocene: een stadia waarin de natuurlijke gebieden met de menselijke gebieden interacties
aangaan waardoor de aarde veranderd. Hoe de mensen de aarde veranderen en de dieren en ecosystemen, die
erop leven. Het is niet terugkeerbaar.
Why anthropocene: om het een echte scientific term te maken moet je bewijs hebben om te laten zien dat de
mens deze invloed heeft. Maar niet iedere mens doet evenveel mee wat het lastig maakt. Zo hebben we niet
allemaal evenveel invloed erop ivm politiek etc.
Alternative terms:
1.Anthropogenic (de social structure leidt tot de verandering, niet de gehele mensheid)
2.Capitalocene: hierbij hang je deels af van allpaid resources
Relevance of colonialism: de mensen moeten sufferen door gevolgen van de colonisers, maar die zijn al weer
vertrokken.
Video 7:
Categorieën extinctie:
1. Descriptive concepts: deze zullen samenhangen met de actuele status van de soort (De soort is extinct
omdat er geen members meer zijn). Hiervoor zijn verschillende manieren:
a. Specialisatie: er zullen verschillende nieuwe soorten vormen of één andere soort
2. Epistemic: een soort is extinct als we weten dat alle members dood zijn. Dit kan alleen worden
toegepast op soorten waarvoor exhaustive surveys zijn uitgedaan.
3. Declarative: een soort is extinct als is verklaard dat deze extinct is. Deze verklaring is vaak van een
belangrijke organisatie zoals de IUCN.
species can be widely dispersed, be extremely localized, inhabit hard-to -access environments, have unusual
lifecycles, be well-camouflaged, be nocturnal, be naturally solitary, be hard to distinguish from similar species,
be extremely small, be migratory, or hibernate for parts of the year. This is not even an exhaustive list of
possible obstacles to carrying out surveys of living species.
Proposals: twin concepts en thick concept