Bedrijfseconomie les 1 08-02
Vreemd vermogen: ook van familieleden (als ze niet in het bedrijf zitten)
Materiele vaste activa: gaat langer dan een jaar mee.
Debet/activa: bezittingenkant. Hier hoort ook geld bij wat je nog tegoed hebt van bv. een klant.
Factureren: verkopen.
Verstrekte krediettermijn: geld wordt later overgemaakt (debiteuren).
Credit/passiva: schuldkant.
Waardecreatie: er komt geld aan de debetzijde, maar dit is nog niet binnen. Daarom neemt het eigen
vermogen aan de creditkant toe met ditzelfde getal als aan de debetzijde. Wanneer het geld binnen
is verandert de hoeveelheid debiteuren naar €0.
Inkoop op rekening: je betaalt nog niet meteen. Er is een betalingstermijn (crediteuren).
Betalen, aflossen: bank gaat omlaag en crediteuren gaat omlaag.
Kosten: gaan van het eigen vermogen af.
Debiteuren betaald: bank gaat omhoog en debiteuren gaan omlaag.
Afschrijven in 3 jaar: na 3 jaar is de waarde van de materiele vaste activa €0 geworden.
, Kostenposten: eigen vermogen neemt af
Ontvangst = inkomsten = toename bank
Betalen = uitgeven = uitgaven = aflossen lening = afname bank.
Resultatenrekening: is een overzicht van opbrengsten en kosten over een bepaalde periode.
Omzet+inkoopwaarde omzet
Gemiddeld totaal vermogen =
2
Inkoopwaarde omzet
Omloopsnelheid gemiddelde voorraad =
Gemiddelde voorraad producten
Omzet
Omzetsnelheid gemiddeld totaal vermogen =
Gemiddeld totaal vermogen
Gemiddelde betalingstermijn debiteuren (verstrekt leverancierskrediet) =
Gemiddelde debiteuren saldo
Omzet
Gemiddelde betalingstermijn aan crediteuren (genoten leverancierskrediet) =
Gemiddelde crediteuren saldo
¿¿
Bedrijfseconomie les 2 15-02
Ratio’s: je kijkt naar meerdere factoren om ze te kunnen vergelijken (vb. hoeveel km rijd ik met
hoeveel liter benzine?) verhoudingsgetallen om dingen te vergelijken met anderen of het verleden
ter beoordeling van bedrijfsprocessen:
- Begrijpen
- Berekenen
- Beredeneren.
Vreemd vermogen kort: crediteuren + bankkrediet (alles onderaan aan de rechterkant van de passiva
zijde).
Liquide middelen: bank aan de debet/activa/bezittingenkant.
Vreemd vermogen: ook van familieleden (als ze niet in het bedrijf zitten)
Materiele vaste activa: gaat langer dan een jaar mee.
Debet/activa: bezittingenkant. Hier hoort ook geld bij wat je nog tegoed hebt van bv. een klant.
Factureren: verkopen.
Verstrekte krediettermijn: geld wordt later overgemaakt (debiteuren).
Credit/passiva: schuldkant.
Waardecreatie: er komt geld aan de debetzijde, maar dit is nog niet binnen. Daarom neemt het eigen
vermogen aan de creditkant toe met ditzelfde getal als aan de debetzijde. Wanneer het geld binnen
is verandert de hoeveelheid debiteuren naar €0.
Inkoop op rekening: je betaalt nog niet meteen. Er is een betalingstermijn (crediteuren).
Betalen, aflossen: bank gaat omlaag en crediteuren gaat omlaag.
Kosten: gaan van het eigen vermogen af.
Debiteuren betaald: bank gaat omhoog en debiteuren gaan omlaag.
Afschrijven in 3 jaar: na 3 jaar is de waarde van de materiele vaste activa €0 geworden.
, Kostenposten: eigen vermogen neemt af
Ontvangst = inkomsten = toename bank
Betalen = uitgeven = uitgaven = aflossen lening = afname bank.
Resultatenrekening: is een overzicht van opbrengsten en kosten over een bepaalde periode.
Omzet+inkoopwaarde omzet
Gemiddeld totaal vermogen =
2
Inkoopwaarde omzet
Omloopsnelheid gemiddelde voorraad =
Gemiddelde voorraad producten
Omzet
Omzetsnelheid gemiddeld totaal vermogen =
Gemiddeld totaal vermogen
Gemiddelde betalingstermijn debiteuren (verstrekt leverancierskrediet) =
Gemiddelde debiteuren saldo
Omzet
Gemiddelde betalingstermijn aan crediteuren (genoten leverancierskrediet) =
Gemiddelde crediteuren saldo
¿¿
Bedrijfseconomie les 2 15-02
Ratio’s: je kijkt naar meerdere factoren om ze te kunnen vergelijken (vb. hoeveel km rijd ik met
hoeveel liter benzine?) verhoudingsgetallen om dingen te vergelijken met anderen of het verleden
ter beoordeling van bedrijfsprocessen:
- Begrijpen
- Berekenen
- Beredeneren.
Vreemd vermogen kort: crediteuren + bankkrediet (alles onderaan aan de rechterkant van de passiva
zijde).
Liquide middelen: bank aan de debet/activa/bezittingenkant.