H8 RNA translatie – eiwitsynthese en eiwitadressering
43.De genetische code gekraakt
Info-transfer is co-lineair met behoud van polariteit (altijd in eenzelfde richting gelezen)
• Universeel doorheen de biologische wereld
• Tripletten = codon
• 20 AZ voor 64 mogelijke combinaties
• RNA Tie club
o In vitro synthese van RNAs met gekende sequentie → zo bekijken welke AZ ze
bekomen (gestart met vb AAA AAA… daarna eens ACA CAC ACA… dan AAC AAC…) →
aantonen van gebruik van codons/tripletten
OF mbv filter dat ribosomen tegenhoud en dan kijke welke tRNA wordt
vastgehouden
o Een ‘celvrij’ systeem in vitro RNAs te vertalen. Nirenberg gebruikte hiervoor de E.Coli
cytoplasma, dat alle componenten nodig voor translatie bevat
• Genetische code gedegenereerd
• Het leesraam
o Tussen start- en stopcodon
o Inserties-deleties → leesraam mutaties
o Open reading frame (ORF) → predictie van EW-coderende sequenties in DNA/RNA
44.Het ribosoom
• Cellulair mechanism waar EWsynthese is
• E.Coli: 20 000 ribosomen (1/4 vd celmassa)
• Eukaryoten : miljoenen ribosomen
55
,• Polypeptide-elongatie 3-5AZ/s → 100/200 AZ per minuut
• RNA keten kan werkbaar zijn op verschillende ribosomen tergelijk
• Opbouw:
o Cryo-electron microscopie
o 1 kleine subunit: codon-anticodonherkenning + initiëren vd translatie
+ 1 grote subunit: vorming vd polypeptidebinding
o Bacteriën: 50S(grote unit) en 30S(kleine unit) → samen 70S
o Eukaryoten: 60S(grote unit) en 40S(kleine unit) → samen 80S
45.De eiwitsynthese
• Synthese van het rRNA
o Pre-rRNA (45S)in nucleolus verknipt in 20S en 32S wordt dan 18S (voor kleine unit)
en 28S+5.8S (voor grote unti)
o In nucleolus RNA pol I
o RNA pol III buiten kern maakt nog een 5S voor grote unit
o RNA pol II EW die complexeren ih ribosoom
• 3 types RNA in de EWsynthese
tRNAs en aminoacyl-tRNA synthetasen
• 3 functionele lussen + acceptorstem
o Anticodon loop : hybridiseert met de mRNA streng
o D loop: herkenning door aminoacyl tRNA
synthetase (zal u AZ aankoppelen op het tRNA)
o TγCG loop: ribosoombinding
o Acceptorstem: CCACCA sequentie (= 2 alanines)
• Aminoacyl-tRNA synthetasen: koppelen tRNAs aan het
juiste AZ
o Synthetase selecteert een AZ
o Koppelt hieraan ook een tRNA dat datzelfde AZ wil
o AZ-tRNA complex wordt dan gekoppeld aan de UUU
sequentie van het mRNA (dus AAA op het tRNA)
56
, o Probleem: 20AZ < tRNAs < codons(64)
Oplossingen op 2 niveaus:
1. codon-anticodonherkenning (tRNAs kunnen op meerdere codons binden)
2. AZ activering (1 AZ op meerder tRNAs kan binden)
1. ‘Wobble’-basenparing van de 3e base vh codon → 1
tRNA herkent meerdere codons voor hetzelfde AZ
o U basenpaart niet alleen met A, maar ook met G
o I(inosine) basenpaart met C, A en U
2. Specifieke herkenning van tRNAs door aminoacyl-tRNA synthetasen: het
‘ideniteitselement’
o 1 AZ → verschillende tRNAs
o 1 AZ → 1 aminoacyl tRNA synthetase
≠tRNAs die aan 1zelfde aminoacyl tRNA synthetase binden, worden aan hetzelfde
AZ gekoppeld
Meerdere tRNAs, die door hetzelfde aminoacyl tRNA synthetase aan hetzelfde AZ
worden gekoppeld hebben een gelijkaardige 3D structuur, het identiteitselement
o Hoe gebeurt die koppeling:
1. Opladen vh AZ met AMP (ATP nodig) → aminoacyl-adenylaat (aminoacyl-AMP)
intermediair
2. Overdragen vh aminoacyl-AMP op tRNA → krijg je aminoacyl-tRNA + AMP
3. AZ overgedragen op het tRNA → 2 klasses van synthetasen
▪ Klasse 1 zet het AZ op de 2’ vh ribose
▪ Klasse 2 zet het AZ op de 3’ vh ribose
Het translatieproces
• ribosoom:
grote unit heeft 3 plaatsen
o A: aminoacyl-tRNA
o P: peptidyl tRNA
o E: exit
• Ribosoom en dus ook de tRNAs schuiven op
AUG (een methionine) is het initiatiesignaal
• Probleem: startcodon is altijd een methionine <-> codon door intern methionine
o 2 types tRNA voor methionine: tRNAmet en tRNA(i)met
o Enkel tRNA(i)met kan binden op de P plaats van het ribosoom
57
43.De genetische code gekraakt
Info-transfer is co-lineair met behoud van polariteit (altijd in eenzelfde richting gelezen)
• Universeel doorheen de biologische wereld
• Tripletten = codon
• 20 AZ voor 64 mogelijke combinaties
• RNA Tie club
o In vitro synthese van RNAs met gekende sequentie → zo bekijken welke AZ ze
bekomen (gestart met vb AAA AAA… daarna eens ACA CAC ACA… dan AAC AAC…) →
aantonen van gebruik van codons/tripletten
OF mbv filter dat ribosomen tegenhoud en dan kijke welke tRNA wordt
vastgehouden
o Een ‘celvrij’ systeem in vitro RNAs te vertalen. Nirenberg gebruikte hiervoor de E.Coli
cytoplasma, dat alle componenten nodig voor translatie bevat
• Genetische code gedegenereerd
• Het leesraam
o Tussen start- en stopcodon
o Inserties-deleties → leesraam mutaties
o Open reading frame (ORF) → predictie van EW-coderende sequenties in DNA/RNA
44.Het ribosoom
• Cellulair mechanism waar EWsynthese is
• E.Coli: 20 000 ribosomen (1/4 vd celmassa)
• Eukaryoten : miljoenen ribosomen
55
,• Polypeptide-elongatie 3-5AZ/s → 100/200 AZ per minuut
• RNA keten kan werkbaar zijn op verschillende ribosomen tergelijk
• Opbouw:
o Cryo-electron microscopie
o 1 kleine subunit: codon-anticodonherkenning + initiëren vd translatie
+ 1 grote subunit: vorming vd polypeptidebinding
o Bacteriën: 50S(grote unit) en 30S(kleine unit) → samen 70S
o Eukaryoten: 60S(grote unit) en 40S(kleine unit) → samen 80S
45.De eiwitsynthese
• Synthese van het rRNA
o Pre-rRNA (45S)in nucleolus verknipt in 20S en 32S wordt dan 18S (voor kleine unit)
en 28S+5.8S (voor grote unti)
o In nucleolus RNA pol I
o RNA pol III buiten kern maakt nog een 5S voor grote unit
o RNA pol II EW die complexeren ih ribosoom
• 3 types RNA in de EWsynthese
tRNAs en aminoacyl-tRNA synthetasen
• 3 functionele lussen + acceptorstem
o Anticodon loop : hybridiseert met de mRNA streng
o D loop: herkenning door aminoacyl tRNA
synthetase (zal u AZ aankoppelen op het tRNA)
o TγCG loop: ribosoombinding
o Acceptorstem: CCACCA sequentie (= 2 alanines)
• Aminoacyl-tRNA synthetasen: koppelen tRNAs aan het
juiste AZ
o Synthetase selecteert een AZ
o Koppelt hieraan ook een tRNA dat datzelfde AZ wil
o AZ-tRNA complex wordt dan gekoppeld aan de UUU
sequentie van het mRNA (dus AAA op het tRNA)
56
, o Probleem: 20AZ < tRNAs < codons(64)
Oplossingen op 2 niveaus:
1. codon-anticodonherkenning (tRNAs kunnen op meerdere codons binden)
2. AZ activering (1 AZ op meerder tRNAs kan binden)
1. ‘Wobble’-basenparing van de 3e base vh codon → 1
tRNA herkent meerdere codons voor hetzelfde AZ
o U basenpaart niet alleen met A, maar ook met G
o I(inosine) basenpaart met C, A en U
2. Specifieke herkenning van tRNAs door aminoacyl-tRNA synthetasen: het
‘ideniteitselement’
o 1 AZ → verschillende tRNAs
o 1 AZ → 1 aminoacyl tRNA synthetase
≠tRNAs die aan 1zelfde aminoacyl tRNA synthetase binden, worden aan hetzelfde
AZ gekoppeld
Meerdere tRNAs, die door hetzelfde aminoacyl tRNA synthetase aan hetzelfde AZ
worden gekoppeld hebben een gelijkaardige 3D structuur, het identiteitselement
o Hoe gebeurt die koppeling:
1. Opladen vh AZ met AMP (ATP nodig) → aminoacyl-adenylaat (aminoacyl-AMP)
intermediair
2. Overdragen vh aminoacyl-AMP op tRNA → krijg je aminoacyl-tRNA + AMP
3. AZ overgedragen op het tRNA → 2 klasses van synthetasen
▪ Klasse 1 zet het AZ op de 2’ vh ribose
▪ Klasse 2 zet het AZ op de 3’ vh ribose
Het translatieproces
• ribosoom:
grote unit heeft 3 plaatsen
o A: aminoacyl-tRNA
o P: peptidyl tRNA
o E: exit
• Ribosoom en dus ook de tRNAs schuiven op
AUG (een methionine) is het initiatiesignaal
• Probleem: startcodon is altijd een methionine <-> codon door intern methionine
o 2 types tRNA voor methionine: tRNAmet en tRNA(i)met
o Enkel tRNA(i)met kan binden op de P plaats van het ribosoom
57