Lesnota's 2016-2017
AFDELING 4. DE RECHTSTREEKSE VORDERING
§ 1. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE RECHTSTREEKSE VORDERING
De rechtstreekse vordering is een mogelijkheid bij wet voorzien, waarbij de schuldeiser de
schuldenaar (de onderschuldenaar) van zijn eigen schuldenaar rechtstreeks kan aanspreken in
eigen naam en voor eigen rekening.
De rechtstreekse vordering moet onderscheiden worden van de zijdelingse vordering (art.
1166 BW), waar iets gelijkaardigs gebeurt, maar de schuldeiser enkel kan vorderen voor
rekening van zijn schuldenaar. Dus je vordert bij de SA van de SA dat hij gaat betalen aan
zijn SA en dus niet rechtstreeks aan SE.
Functies van de rechtstreekse vordering:
- Een bewarende werking: door de rechtstreekse vordering wordt de vordering van de
schuldenaar op zijn eigen schuldenaar (de onderschuldenaar) onbeschikbaar (vb.
betaling, verpanding, overdracht, e.d. zijn niet meer tegenstelbaar aan de schuldeiser
die de rechtstreekse vordering instelde).
- De rechtstreekse vordering strekt tot betaling: de onderschuldenaar kan enkel nog
bevrijdend betalen aan de schuldeiser.
- Zekerheidsfunctie: door de rechtstreekse vordering krijgt de schuldeiser exclusief het
recht op betaling door de onderschuldenaar, ook al is er ondertussen samenloop in
hoofde van de andere schuldenaar (let wel: de rechtstreekse vordering moet ingesteld
worden voor het ogenblik van de samenloop, om van dit gevolg te kunnen genieten -
zie o.a. Cass. 18 maart 2010).
Er bestaan verschillende toepassingen van de rechtstreekse vordering, dergelijke toepassingen
zijn echter limitatief in de wet geregeld. Er kan enkel sprake zijn van een rechtstreekse
vordering indien dit wettelijk is voorzien.
Vb. art. 1753 B.W. (huur), art. 1798 B.W. (onderaannemer), art. 1994 B.W.
(lastgeving).
Er bestaan ook verschillende voorbeelden in de verzekeringssector vb. eigen recht van
de benadeelde bij aansprakelijkheidsverzekeringen: art. 150 Verzekeringswet.
Insolventierecht - les 10
AFDELING 4. DE RECHTSTREEKSE VORDERING
§ 1. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE RECHTSTREEKSE VORDERING
De rechtstreekse vordering is een mogelijkheid bij wet voorzien, waarbij de schuldeiser de
schuldenaar (de onderschuldenaar) van zijn eigen schuldenaar rechtstreeks kan aanspreken in
eigen naam en voor eigen rekening.
De rechtstreekse vordering moet onderscheiden worden van de zijdelingse vordering (art.
1166 BW), waar iets gelijkaardigs gebeurt, maar de schuldeiser enkel kan vorderen voor
rekening van zijn schuldenaar. Dus je vordert bij de SA van de SA dat hij gaat betalen aan
zijn SA en dus niet rechtstreeks aan SE.
Functies van de rechtstreekse vordering:
- Een bewarende werking: door de rechtstreekse vordering wordt de vordering van de
schuldenaar op zijn eigen schuldenaar (de onderschuldenaar) onbeschikbaar (vb.
betaling, verpanding, overdracht, e.d. zijn niet meer tegenstelbaar aan de schuldeiser
die de rechtstreekse vordering instelde).
- De rechtstreekse vordering strekt tot betaling: de onderschuldenaar kan enkel nog
bevrijdend betalen aan de schuldeiser.
- Zekerheidsfunctie: door de rechtstreekse vordering krijgt de schuldeiser exclusief het
recht op betaling door de onderschuldenaar, ook al is er ondertussen samenloop in
hoofde van de andere schuldenaar (let wel: de rechtstreekse vordering moet ingesteld
worden voor het ogenblik van de samenloop, om van dit gevolg te kunnen genieten -
zie o.a. Cass. 18 maart 2010).
Er bestaan verschillende toepassingen van de rechtstreekse vordering, dergelijke toepassingen
zijn echter limitatief in de wet geregeld. Er kan enkel sprake zijn van een rechtstreekse
vordering indien dit wettelijk is voorzien.
Vb. art. 1753 B.W. (huur), art. 1798 B.W. (onderaannemer), art. 1994 B.W.
(lastgeving).
Er bestaan ook verschillende voorbeelden in de verzekeringssector vb. eigen recht van
de benadeelde bij aansprakelijkheidsverzekeringen: art. 150 Verzekeringswet.
Insolventierecht - les 10