Oefentoets marketing
Vraag 1
Met een vrij speelveld komt wat tot stand bij vraag en aanbod?
A. Optimale vraag
B. Genoeg afnemers
C. Optimale prijs
D. Marktmechanisme
Vraag 2
Wat is het verschil tussen marketing en sales?
A. Bij sales wil je kwijtraken wat je op de plank hebt liggen en bij marketing zorg je voor
de juiste producten op de plank.
B. Bij sales zorg je voor de juiste producten op de plank en bij marketing wil je zien
kwijtraken wat je op de plank hebt liggen.
C. Sales en marketing betekent hetzelfde
D. Bij marketing heb je het over een push strategie en bij sales over een pull strategie.
Vraag 3:
Wat betekent het als er ergens schaarste van is?
A. Je hebt weinig vraag en veel aanbod
B. Je krijgt geen goede prijs voor de producten
C. Er is weinig aanbod en veel vraag
D. Er zijn te veel concurrenten op de markt
Vraag 4:
Welke kenmerken passen er bij B2B?
A. Kleine informatiebehoefte, veel afnemers
B. Lang aankoopproces, hoog aankoopbedrag
C. Laag aankoopbedrag, kort aankoopproces
D. Geen van bovenstaande
Vraag 5:
Waarvoor staat de bedrijfskolom?
A. Van oerproducent naar consument
B. Van webshop naar consument
C. Van het magazijn naar verkooppunten
D. Van groothandel tot detaillist
Vraag 6:
Wat is de visie van Nike?
A. Bring motivation to athletes
B. If you have a body, you’re an athlete
C. Sport is for the younger ones
D. Be yourself be nike
, Vraag 7:
Waarvoor zijn de visie en missie belangrijk?
A. De organisatie weet dan wat ze de komende periode gaan doen
B. Het zijn haalbare doelstellingen
C. Het geeft focus en richting, maar het is niet haalbaar
D. Het is tastbaar en geeft een goede kijk voor in de toekomst
Vraag 8:
Wat is de definitie van marketing?
A. Menselijke activiteit gericht op vervullen van behoeften in ruil voor vraag naar
producten
B. Via reclame mensen bewust maken van jouw producten en aansporen om het te
gaan kopen
C. Verkopen wat je hebt door de prijs om hoog te gooien waardoor het een duurder en
beter product lijkt
D. Inzetten van organisatie om doelstellingen te realiseren en inzichtelijk maken.
Vraag 9:
Welke p hoor niet bij het ppp-model
A. People
B. Planet
C. Product
D. Profit
Vraag 10:
Wat is het BHAG?
A. Economisch systeem waar de wet van vraag en aanbod elkaar tegen komt
B. Een tabel waarin je plus en minpunten van de interne analyse noteert
C. Een doelstelling voor maximaal 1 jaar die behaalt moet worden
D. Een gedurfde doelstelling voor 5-10 jaar die als inspiratie dient
Vraag 11:
De goldencirkle is erg belangrijk maar waarom komt de Why als eerst?
A. Mensen kopen niet wat je doet, maar waarom je het doet
B. Mensen kopen niet waarom je iets doet, maar wat je doet
C. Het is belangrijk om te weten wat een organisatie wil bereiken
D. Mensen interesseren zich altijd in de geschiedenis van een organisatie.
Vraag 12:
Wat zijn de 3 moments of truth?
A. Herkenbaarheid, loyaliteit, user experience
B. Online, verkooppunten en verbruik, user experience
C. Loyaliteit, online, verkooppunten en verbruik
D. Herkenbaarheid, verkooppunten en verbruik, online
Vraag 1
Met een vrij speelveld komt wat tot stand bij vraag en aanbod?
A. Optimale vraag
B. Genoeg afnemers
C. Optimale prijs
D. Marktmechanisme
Vraag 2
Wat is het verschil tussen marketing en sales?
A. Bij sales wil je kwijtraken wat je op de plank hebt liggen en bij marketing zorg je voor
de juiste producten op de plank.
B. Bij sales zorg je voor de juiste producten op de plank en bij marketing wil je zien
kwijtraken wat je op de plank hebt liggen.
C. Sales en marketing betekent hetzelfde
D. Bij marketing heb je het over een push strategie en bij sales over een pull strategie.
Vraag 3:
Wat betekent het als er ergens schaarste van is?
A. Je hebt weinig vraag en veel aanbod
B. Je krijgt geen goede prijs voor de producten
C. Er is weinig aanbod en veel vraag
D. Er zijn te veel concurrenten op de markt
Vraag 4:
Welke kenmerken passen er bij B2B?
A. Kleine informatiebehoefte, veel afnemers
B. Lang aankoopproces, hoog aankoopbedrag
C. Laag aankoopbedrag, kort aankoopproces
D. Geen van bovenstaande
Vraag 5:
Waarvoor staat de bedrijfskolom?
A. Van oerproducent naar consument
B. Van webshop naar consument
C. Van het magazijn naar verkooppunten
D. Van groothandel tot detaillist
Vraag 6:
Wat is de visie van Nike?
A. Bring motivation to athletes
B. If you have a body, you’re an athlete
C. Sport is for the younger ones
D. Be yourself be nike
, Vraag 7:
Waarvoor zijn de visie en missie belangrijk?
A. De organisatie weet dan wat ze de komende periode gaan doen
B. Het zijn haalbare doelstellingen
C. Het geeft focus en richting, maar het is niet haalbaar
D. Het is tastbaar en geeft een goede kijk voor in de toekomst
Vraag 8:
Wat is de definitie van marketing?
A. Menselijke activiteit gericht op vervullen van behoeften in ruil voor vraag naar
producten
B. Via reclame mensen bewust maken van jouw producten en aansporen om het te
gaan kopen
C. Verkopen wat je hebt door de prijs om hoog te gooien waardoor het een duurder en
beter product lijkt
D. Inzetten van organisatie om doelstellingen te realiseren en inzichtelijk maken.
Vraag 9:
Welke p hoor niet bij het ppp-model
A. People
B. Planet
C. Product
D. Profit
Vraag 10:
Wat is het BHAG?
A. Economisch systeem waar de wet van vraag en aanbod elkaar tegen komt
B. Een tabel waarin je plus en minpunten van de interne analyse noteert
C. Een doelstelling voor maximaal 1 jaar die behaalt moet worden
D. Een gedurfde doelstelling voor 5-10 jaar die als inspiratie dient
Vraag 11:
De goldencirkle is erg belangrijk maar waarom komt de Why als eerst?
A. Mensen kopen niet wat je doet, maar waarom je het doet
B. Mensen kopen niet waarom je iets doet, maar wat je doet
C. Het is belangrijk om te weten wat een organisatie wil bereiken
D. Mensen interesseren zich altijd in de geschiedenis van een organisatie.
Vraag 12:
Wat zijn de 3 moments of truth?
A. Herkenbaarheid, loyaliteit, user experience
B. Online, verkooppunten en verbruik, user experience
C. Loyaliteit, online, verkooppunten en verbruik
D. Herkenbaarheid, verkooppunten en verbruik, online