- De vroegmoderne tijd: van 1500 tot 1900
- startpunt: de eerste theorievorming over stedenbouw en de stedenbouwkundige praktijk die moest
uitgaan van het in de late middeleeuwen ingerichte (stads)landschap
→ eerste breuken met de historisch gegroeide situatie
- eindpunt: het negeren van de historisch gegroeide situatie (het in de middeleeuwen ingerichte
stadslandschap) bij het creëren van een nieuwe stedenbouw omstreeks 1900
→ trend ingezet om de samenhang tussen ondergrond en ingreep definitief te verlaten (geheel
nieuwe inrichting van de ondergrond, in plaats van zich aan de bestaande verkaveling te houden)
- Vooral aandacht voor de historische binnensteden
- Grondgebied: de Nederlanden (Nederland en Vlaanderen)
Stedengeschiedenis: een inleiding
Het begrip ‘stedenbouw’ nader verklaard aan de hand van 3 publicaties, met de stedenbouwkundige
ontwikkeling van Amsterdam en Brussel als illustratie.
1. Thomas Hall – Planning Europe’s capital cities. Aspects of 19th century urban development
(1999)
→ nadruk op de planmatige stedenbouw van 19de eeuwse Europese hoofdsteden als grondlegger voor
‘de’ moderne stad, met als hoofdrol: vormprincipes
- Stedenbouw = town planning ; het planmatig creëren van hele steden, wijken of andere gebouwde
gehelen
→ opgevat als het begrip dat de activiteiten dekt van Haussmann die vanaf juni 1853 Parijs
vernieuwde en vergrootte in opdracht van Napoleon (afb. 5)
- Hij onderscheidt 4 ‘typological systems for systematizing and analysing earlier planning’ (kunnen niet
strikt worden toegepast, vaak sprake van een wisselwerking)
● grid planning: de planmatige aanleg van vooral rechthoekige bouwblokken en rechte straten,
waarbij een plein op de plaats van een open gelaten blok is gesitueerd
→ kenmerkend: praktische invalshoek; het stedelijk gebied op een zo passende wijze in blokken en
straten te verdelen, waarbij esthetische ambities van weinig of geen belang waren
→ Hall beschouwt Hippodamus van Milete als uitvinder van het rechthoekige stadsplan
→ voorbeelden: plattegrond Milete (afb. 6), plattegrond van Manhatten, New York (afb. 7)
● ideal city planning: modelmatige projecten gerealiseerd als illustratie van theoretische concepten
over de vorm en functie van een stad of steden (ideaalsteden)
● local design planning: biedt ruimte voor individuele plaatsgebonden oplossingen waarbij
monumentale accenten (als pleinen of straten) in een bestaand stedelijk weefsel zijn ingebracht, als
architectonische omgeving van een specifiek gebouw of een groep gebouwen
→ bij uitstek van toepassing bij ceremoniële functies, als passende omgeving voor vorstelijke,
kerkelijke of wereldlijke instellingen, of gebouwen van de stedelijke overheid zelf (esthetische
overwegingen waren dan cruciaal)
● unplanned of spontaneous urban development: biedt nog meer ruimte, doet recht aan historische,
plaatsgebonden ontwikkelingen
→ spontaan gegroeide steden waar factoren als lokale topografie, bestaande paden of gebouwen,
verkeersstromen enz een doorslaggevende rol speelden; bijvoorbeeld ‘vroegere’ steden en wijken met
een bochtig stratenpatroon en onregelmatige percelen, volgens Hall met ‘gebrekkige’ functionaliteit