J.C. Bloem - Het Verlangen (1921)
De dichters van het verlangen: verlangen naar iets wat je niet kunt krijgen.
Waarom hoort Bloem met Het Verlangen bij de dichters van het verlangen?
Bloem verlangt naar rust om een eind te maken aan het reizen, het willen hebben van
dingen, het besef dat het leven niet altijd prettig is en de oplossing daarvoor, het sterven.
De gedichten van Bloem zijn in drie kernwoorden samen te vatten:
Zwerven (reizen, op onbestemde plaatsen vertoeven),
Derven (het voortdurend niet krijgen wat men wil)
Sterven (de oplossing voor alle onvervulbare verlangens).
“Het leven is derven”: het leven is een aaneenschakeling van tegenvallers.
De meest positieve is sterven: verlost van het eeuwige derven. Wanneer iemand sterft zijn
alle verlangens verdwenen. Het sterven is de bevrijding.
Hoe kan ik dat aantonen?
1. Dat sterven een bevrijding is komt in het gedicht ‘Euthanasia’ (wat de goede, zachte dood
betekent) naar voren. Hij heeft noemt al het derven en beschrijft dan hoe het sterven voelt:
Euthanasia
In dat geweldige uur, waarin het vege leven
Nog eenmaal – maar hoe zwak – de broze wieken rept,
Wanneer de hoop, nabij de grenzen van haar streven,
Als een gebarsten klok haar laatste slagen klept,
Verlate dan de ziel haar vleselijke woning,
Die weldra achterblijft, een dienaar zonder heer,
Gelijk de zatte bij, die, zwaar van aardse honing,
Wegvliegt van ’t geurge veld door gouden schemersfeer.
Dan geve God zijn rust aan de vermoeide voeten,
Vermoeid van ’t zwerven langs der wereld heerlijkheid,
Gezweept door ’t dagelijks verlaten en ontmoeten,
Maar nimmer naar een vast en veilig doel geleid.
Rust aan de handen, die zo dikwijks smekend trachtten
De vreugd te grijpen bij haar langswaaiende zoom,
Maar van de koene greep geweerd door die gedachten:
Dat de vervulling steeds het einde is van een droom.
En rust aan de ogen, die, verblind van ’t stof der straten,
Van tranen om het leed der eenzaamheid gedoofd,
Toch nimmer leerden om, ontgoocheld en gelaten,
Het leven te zien gaan voorbij het lustloos hoofd.
En bovenal aan ’t hart, dat overal wou wonen,
En nergens wonen kon, daar steeds het elders riep,
Een rust als van wie droomt, gewiegd op verre tonen,
En niets meer voelt dan een bekoring, koel en diep.
De dichters van het verlangen: verlangen naar iets wat je niet kunt krijgen.
Waarom hoort Bloem met Het Verlangen bij de dichters van het verlangen?
Bloem verlangt naar rust om een eind te maken aan het reizen, het willen hebben van
dingen, het besef dat het leven niet altijd prettig is en de oplossing daarvoor, het sterven.
De gedichten van Bloem zijn in drie kernwoorden samen te vatten:
Zwerven (reizen, op onbestemde plaatsen vertoeven),
Derven (het voortdurend niet krijgen wat men wil)
Sterven (de oplossing voor alle onvervulbare verlangens).
“Het leven is derven”: het leven is een aaneenschakeling van tegenvallers.
De meest positieve is sterven: verlost van het eeuwige derven. Wanneer iemand sterft zijn
alle verlangens verdwenen. Het sterven is de bevrijding.
Hoe kan ik dat aantonen?
1. Dat sterven een bevrijding is komt in het gedicht ‘Euthanasia’ (wat de goede, zachte dood
betekent) naar voren. Hij heeft noemt al het derven en beschrijft dan hoe het sterven voelt:
Euthanasia
In dat geweldige uur, waarin het vege leven
Nog eenmaal – maar hoe zwak – de broze wieken rept,
Wanneer de hoop, nabij de grenzen van haar streven,
Als een gebarsten klok haar laatste slagen klept,
Verlate dan de ziel haar vleselijke woning,
Die weldra achterblijft, een dienaar zonder heer,
Gelijk de zatte bij, die, zwaar van aardse honing,
Wegvliegt van ’t geurge veld door gouden schemersfeer.
Dan geve God zijn rust aan de vermoeide voeten,
Vermoeid van ’t zwerven langs der wereld heerlijkheid,
Gezweept door ’t dagelijks verlaten en ontmoeten,
Maar nimmer naar een vast en veilig doel geleid.
Rust aan de handen, die zo dikwijks smekend trachtten
De vreugd te grijpen bij haar langswaaiende zoom,
Maar van de koene greep geweerd door die gedachten:
Dat de vervulling steeds het einde is van een droom.
En rust aan de ogen, die, verblind van ’t stof der straten,
Van tranen om het leed der eenzaamheid gedoofd,
Toch nimmer leerden om, ontgoocheld en gelaten,
Het leven te zien gaan voorbij het lustloos hoofd.
En bovenal aan ’t hart, dat overal wou wonen,
En nergens wonen kon, daar steeds het elders riep,
Een rust als van wie droomt, gewiegd op verre tonen,
En niets meer voelt dan een bekoring, koel en diep.