Hoofdstuk 2, Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.C. - 500 na Chr.)
Oefenvragen aan het einde van de samenvatting.
2.1
KA: De opkomst van het wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en
politiek in de Griekse stadstaat & De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.
Met de uitvinding van het schrift rond 3000 v. chr. begon de oudheid. De oudste beschaving
is de Minoïsche beschaving, die leefde van 2000-1200 v. chr.. Er is weinig bekend over deze
beschaving, want hun schrift bestond uit tekens die nog niet ontcijferd zijn. Rond 1500 v. chr.
gingen de Grieken heersen over Kreta vanuit Europa, door krijgsheren die zichzelf koningen
noemde.
Vanaf de 8e eeuw v. chr. ontstond er een nieuwe griekse beschaving. De grieken leefde toen
in afgezonderde stadstaten, totdat er overbevolking dreigde, waardoor ze met het schip
moesten vertrekken. Ze vestigde zich in bijv. Naples, Marseille en Istanbul. Terwijl de grieken
dus niet een staat waren, voelde ze zich wel een volk, met dezelfde taal en het vereren van
dezelfde goden. Door de kolonisatie en een gemeenschappelijke munt groeide de handel,
nijverheid en welvaart. Rond 500 v. chr. bloeide de griekse cultuur in bijzonder de
wetenschap en kunst. De griekse kunstenaars en architecten maakte veel gebruik van
zuilen, en de goden in hun werken. Verder was alles heel gedetailleerd en gingen de
kunstenaars veel onderzoek doen naar hoe het menselijk lichaam werkte.
De meeste stadstaten waren een monarchie, met een koning. Sommige steden had een
regering van rijke mensen die niet allemaal adellijk waren, en dat werd een oligarchie
genoemd. Door economische ontwikkeling waren er ambachtslieden en handelaren die ook
de politiek in wilden. Uiteindelijk ging de volksvergadering beslissen over dingen. Burgers
mochten hierover stemmen. Burgers waren autochtone vrije mannen, dus vrouwen, slaven
en immigranten hadden niks te zeggen. Niet iedereen was het eens met de democratie en
hoe die gehandhaafd werd. Zo was Socrates tegen de democratie omdat ze het volk naar de
mond praatte en zijn leerling, Plato, haatte de democratie zelfs. Plato’s leerling, Aristoteles,
was weer minder tegen de democratie.
In de 6e eeuw voor chr. gingen filosofen rationeel nadenken over of goden nou wel echt
bestonden. De grieken waren niet de uitvinders van de wetenschap, want wetenschap zit in
de natuur zelf en mensen gebruikten al duizenden jaren lang hun verstand om vuur te
gebruiken, potten te maken ect. De grieken maakte wetenschap alleen los van praktijk. Ze
gingen nadenken over hoe de wereld in elkaar zat en hoe het werkte.
2.2
KA:De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich
verspreidde over Europa.
De machtigste mannen in Rome waren twee consuls, die elk jaar werden gekozen door de
senaat, een groep machtige mannen die als een soort overheid golde. Rome was een van
de stadstaten in Italië, maar tussen 343-290 v. chr. veroverde ze zuid-italië en daarna verder
door Europa, uiteindelijk helemaal tot aan Brittannië. Romeinen hebben dit alleen kunnen
bereiken door bijv. samen te werken met hun veroverde staten. Ze namen het leger van
deze staten over, waardoor het romeinse leger alleen maar groter en machtiger werd. Aan
het einde van de 1e eeuw v. chr. kwam er een einde aan de Romeinse Republiek. Er
Oefenvragen aan het einde van de samenvatting.
2.1
KA: De opkomst van het wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en
politiek in de Griekse stadstaat & De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.
Met de uitvinding van het schrift rond 3000 v. chr. begon de oudheid. De oudste beschaving
is de Minoïsche beschaving, die leefde van 2000-1200 v. chr.. Er is weinig bekend over deze
beschaving, want hun schrift bestond uit tekens die nog niet ontcijferd zijn. Rond 1500 v. chr.
gingen de Grieken heersen over Kreta vanuit Europa, door krijgsheren die zichzelf koningen
noemde.
Vanaf de 8e eeuw v. chr. ontstond er een nieuwe griekse beschaving. De grieken leefde toen
in afgezonderde stadstaten, totdat er overbevolking dreigde, waardoor ze met het schip
moesten vertrekken. Ze vestigde zich in bijv. Naples, Marseille en Istanbul. Terwijl de grieken
dus niet een staat waren, voelde ze zich wel een volk, met dezelfde taal en het vereren van
dezelfde goden. Door de kolonisatie en een gemeenschappelijke munt groeide de handel,
nijverheid en welvaart. Rond 500 v. chr. bloeide de griekse cultuur in bijzonder de
wetenschap en kunst. De griekse kunstenaars en architecten maakte veel gebruik van
zuilen, en de goden in hun werken. Verder was alles heel gedetailleerd en gingen de
kunstenaars veel onderzoek doen naar hoe het menselijk lichaam werkte.
De meeste stadstaten waren een monarchie, met een koning. Sommige steden had een
regering van rijke mensen die niet allemaal adellijk waren, en dat werd een oligarchie
genoemd. Door economische ontwikkeling waren er ambachtslieden en handelaren die ook
de politiek in wilden. Uiteindelijk ging de volksvergadering beslissen over dingen. Burgers
mochten hierover stemmen. Burgers waren autochtone vrije mannen, dus vrouwen, slaven
en immigranten hadden niks te zeggen. Niet iedereen was het eens met de democratie en
hoe die gehandhaafd werd. Zo was Socrates tegen de democratie omdat ze het volk naar de
mond praatte en zijn leerling, Plato, haatte de democratie zelfs. Plato’s leerling, Aristoteles,
was weer minder tegen de democratie.
In de 6e eeuw voor chr. gingen filosofen rationeel nadenken over of goden nou wel echt
bestonden. De grieken waren niet de uitvinders van de wetenschap, want wetenschap zit in
de natuur zelf en mensen gebruikten al duizenden jaren lang hun verstand om vuur te
gebruiken, potten te maken ect. De grieken maakte wetenschap alleen los van praktijk. Ze
gingen nadenken over hoe de wereld in elkaar zat en hoe het werkte.
2.2
KA:De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich
verspreidde over Europa.
De machtigste mannen in Rome waren twee consuls, die elk jaar werden gekozen door de
senaat, een groep machtige mannen die als een soort overheid golde. Rome was een van
de stadstaten in Italië, maar tussen 343-290 v. chr. veroverde ze zuid-italië en daarna verder
door Europa, uiteindelijk helemaal tot aan Brittannië. Romeinen hebben dit alleen kunnen
bereiken door bijv. samen te werken met hun veroverde staten. Ze namen het leger van
deze staten over, waardoor het romeinse leger alleen maar groter en machtiger werd. Aan
het einde van de 1e eeuw v. chr. kwam er een einde aan de Romeinse Republiek. Er