Door zelfregulatie zichzelf in stand houden (handhaven) door bijvoorbeeld
ademhaling, voeding, hormonen, transport van stoffen etc.
Door zelforganisatie organiseren tot een biologische eenheid van hogere orde
door bijvoorbeeld ontwikkelen van emergente eigenschappen.
Elke cel bevat codes voor alle eiwitten die in het lichaam gemaakt kunnen worden en
alle genen, maar geen enkele cel maakt alle eiwitten. De cel maakt alleen eiwitten
waar het gen aan staat, alleen daar wordt dus RNA gemaakt langs DNA en wordt het
vertaald door ribosomen. Zo wordt er dus geen energie of bouwstoffen verspilt aan
de synthese van overbodige eiwitten.
Genregulatie = het aan- of uitzetten van een gen
Genexpressie = wanneer een gen aan staat, kan transcriptie en translatie
plaatsvinden waarbij de info van DNA door transcriptie wordt omgezet in pre-mRNA
en wordt mRNA door translatie omgezet in een eiwit. Genexpressie verandert door
milieu en functie van cel. De regulatorgenen zorgen ervoor dat de juiste genen op het
juiste moment aangaan. Bij prokaryoten coderen de regulatorgenen voor een
repressor. Bij eukaryoten coderen ze voor transcriptiefactoren.
Genregulatie prokaryoten:
o Inductor: Een stof die de genexpressie op gang brengt
o Structuurgenen bevatten info voor vorming RNA of eiwit en laten zich
vertalen tot eiwit.
o Operon = deel van DNA dat alle genen bevat die de vorming van een eiwit
reguleren. (bestaat uit promotor, operator, en structurele genen)
o Operator = sequentie tussen promotor (startplaats voor RNA) en bijbehorende
structuurgenen. Moleculaire schakelaar die bepaalt of genexpressie wel of niet
plaatsvindt
o Promotor = bindplaats voor RNA-polymerase, dient als landingsbaan voor
transcriptiefactoren
o Regulatorgenen zorgen voor synthese van repressors blokkeren de
operator zodat transcriptie niet lukt door de plek van de operator in te nemen
, waardoor RNA-polymerase niet meer kan binden. Als er bijv geen lactose is
zal de repressor de operator van lac operon blokkeren
o Een actieve repressor is gebonden aan de operator en blokkeert RNA-
polymerase. Als een inductor bindt aan de repressor (wordt inactief) wordt de
operator niet meer geblokkeerd en kan er dus RNA-polymerase binden en
wordt de genexpressie op gang gebracht. Als een repressor juist actief wordt
als er een molecuul bindt (als inductor bindt met repressor wordt in normale
gevallen de repressor inactief maar nu wordt ie juist actief als er iets aanbindt
corepressor. Hierdoor kan de repressor ineens wel binden aan operator en
RNA-polymerase alsnog blokkeren en daardoor onderdrukken corepressoren
de genexpressie.