BASISLES 1: situering, overzicht & geschiedenis
1.1. Wat is psychologie en wat is het niet
- Psyché → levensadem, ziel, geest
- Logos → woord, verklaring, rede, leer, gebied van studie
- Breed veld met veel specialismen
Basisgebieden:
Ontwikkelings →studie van het gedrag in de
verschillende levensfasen
Persoonlijkheids. → de mens als individu
(differentiële psychologie)
Cognitieve → afzonderlijke psychische
functies en processen
Sociale → gedrag van mensen in relatie tot
anderen
Biologische → gedrag van mensen
uitgaande van de biologie
Methodenleer → studie van de
onderzoeksmethoden empirisch onderzoek
1.2. zes belangrijkste perspectieven psychologie
Moderne psychologie heeft Griekse filosofische wortels van socrates,
aristoteles, plato
1.2.1 Scheiding van lichaam en geest in biologisch perspectief
R. descartes (17de eeuw)
scheiding spirituele geest en fysieke lichaam
Rationalisme = enigste middel om aan wetenschap en filosofie te doen
↕
Empirisme = waarnemingen, ervaringen en experimenten is enigste ware
bronnen van kennis
blind onderzoek → onderzoek zonder dat je weet wie de echte groep is
Modern biologisch perspectief:
- lichaam en geest samengevoegd
- geest = productie van hersenen
- oorzaken van gedrag worden in zenuwstelsel, endocriene stelsel en de
genen gezocht
1
,twee variaties:
- neurowetenschap
- evolutionaire psychologie (charles darwin natuurlijke selectie)
1.2.2 Begin wetenschappelijke psychologie & moderne cognitieve
perspectief
W. Wundt (1832-1920):
- structuralisme: op zoek naar bouwstenen van het denken (PSE)
- 1879: 1e psychologische labo
- via methode introspectie → veel kritiek want subjectief
W. James:
- Functionalisme, psyche processen kunnen het beste begrepen worden
in het licht van hun adaptieve nut en functie (gestalt/configuratie)
Ontwikkeling computer: metaphoor voor onze geest → moderne cognitieve
psychologie. Nadruk op mentale processen zoals leren, geheugen, denken,
perceptie als vormen van informatieverwerking (brain-imaging)
1.2.3. Behavioristisch perspectief: nadruk op waarneembaar gedrag
J.B. Watson (1878-1958) → onderzoek met baby conditioneren voor angst van
dieren door luide geluiden
- geen onderscheid tussen mens en dier tijdens onderzoek
- menselijk gedrag wordt geconditioneerd door externe prikkels
B.F. Skinner (1904-1990) → proef met skinner box met duiven en ratten
- operante conditionering
- reinforcement (als de duif scoort → eten = beloning)
- schedules
- shaping
I. Pavlov (1849-1036)
- fysioloog die de spijsvertering bestudeerde
- per toeval de klassieke conditionering ontdekt
1.2.4.Perspectieven vanuit de gehele persoon
S. Freud (1856-1939)
- ontwikkeling psychodynamische theorie van persoonlijkheid
- onbewuste geest (psyche) is een reservoir van energie voor de
persoonlijkheid
- techniek vrije associatie
- kritiek: niet toetsbaar aan de feitelijke werkelijkheid (niet falsificeerbaar)
2
,A. Maslow (1908-1970)
- reactie op behaviorisme & psychoanalyse
- menselijke natuur overstijgt de omgeving (behoeften piramide)
- bewuste processen en niet onbewuste vormen het studieobject van de
psychologie
- humanistische psychologie: groei, mogelijkheden potentie en vrije wil
1.2.4. Perspectieben vanuit de gehele persoon:
Oude Grieken: psychologie van karaktertrekken en temperament
Hippocrates (oudheid: 460-377 v.C.)
lichaam en geest = 1 eenheid
hoeveel sappen → persoonlijkheid (slijm, bloed, gele gal, zwarte gal) bv bloed =
optimisme
1.2.5.ontwikkelingsperspectief: veranderingen door nature en nurture
J. Piaget (1896-1980)
- bestudeerde de ontwikkeling van kennis in kinderen
- fasen in de ontwikkeling
1.2.6. Het socioculturele perspectief: het individu van context
Krachtig bijkomend concept aan nurture & nature: de situatie / contex
Sociale invloed staat centraal, variatie per cultuur.
BASISLES 2: ONDERZOEKSMETHODEN I
Empirische cyclus:
- theorie
- hypothese
- dataverzameling
- observatie
- interview
- gevalstudie
- vragenlijstonderzoek
- correlationeel
onderzoek
- experimenteel
onderzoek
- analyseren van de data
- beschrijvend
- inductief
3
, Toetsen gebeurd in 4 methodische stappen
● hypothese ontwikkelen (vertrekt vanuit onderzoeksvraag)
● objectieve data verzamelen
● De resultaten analyseren (verwerken)
● De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren (besluit)
onderzoeksvraag: voorspelling van de uitkomst van wetenschappelijk
onderzoek, onderzoeksvraag beweert iets over 2 variabelen
2 variabelen: suiker, hyperactiviteit
falsifieerbaar: je moet het kunnen toetsen, weerleggen bv. intelligentie,
→ iets wat je niet kan falsifiëren is bv mooi zijn.
2 hypotheses:
- H0 (nulhypothese) geen verband tussen variabelen (brunettes en
blondines zijn even intelligent
→ je wil de nulhypothese verwerpen, je wil een significant verschil vinden
- H1: alternatieve hypothese (er is een verband tussen variabelen)
Dataverzameling:
observeerders:
- professionele onbekenden (objectief)
- bekenden (subjectief)
- natuurlijke omgeving
- multiple sociale personae
Voordelen:
- onbekend gebied
- geen taal
Nadelen:
- geen controle over omgeving
- niet alles is waarneembaar
- observatie beïnvloedt wat je wil observeren
- interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
- correctheid van de menselijke observatie niet altijd feilloos (bv
ooggetuige)
4