Hoofdstuk 6 depressie.
6.1 depressieve- stemmingsproblematiek.
Onthouden: de veelheid aan factoren die kunnen bijdragen aan het ontstaan van een depressie, en
dat die factoren niet specifiek zijn voor een depressie. Geen getallen leren.
6.1 depressieve- stemmingsproblematiek.
Depressieve stemmingsklachten zijn voor veel mensen aanleiding tot zelfbeschadiging of suïcidaal
gedrag.
De risico’s op het ontstaan van een depressie zijn beschreven in het zorgstandaard. Deze zijn in
persoonsgebonden risicofactoren en omgeving gebonden risicofactoren in gedeeld.
Persoonsgebonden risicofactoren Omgevingsgebonden risicofactoren
Erfelijkheid: Intergenerationele problemen:
- Kinderen van ouders met een depressie hebben - Kinderen van ouders van psychische of
meer kans op het krijgen va een depressie. verslavingsproblemen (KOPP-/KOV kinderen)
- Kinderen van ouders met ondermijnende
opvoedingsstijl: overmatig beschermend,
autoritair, of verwaarlozende stijl
- (psycho)traumatische jeugdervaringen als
(seksuele) mishandeling en emotionele
verwaarlozing.
- Relationele problemen of ruzie (tussen ouders)
Persoonlijkheid: Gebrek aan steun:
- Introvert of juist snel boos, angstig of verdrietig - Weinig sociale steun en eenzaamheid
- Geringe zelfwaarde - Sociale uitsluiting (door stigmatisering) en
- Moeite om met tegenslag of kritiek om te gaan gepest worden
- Ervaringen worden negatief geïnterpreteerd - Verblijf in een verzorgings- of verpleeghuis.
(negatieve cognitieve stijl) - Gezinsleden met een chronische zeikte of zorg
- Negatieve attributiestijl (oorzaken van gedrag voor een zieke partner.
worden negatief gelabeld)
Gezondheid: Materiële en werk- of schoolgerelateerde problemen:
- Hormonale afwijkingen door aandoeningen aan - Leven in armoede
schildklier of bijnier - Lage sociaal- economische omstandigheden
- Hormonale schommelingen tijdens of na - Verlies van werk en/of inkomen
zwangerschap, in de puberteit of menopauze. - Hoge werkdruk, weinig controle over taken en
- Tekort aan de neurotransmitters sertonine en weinig aanmoediging op het werk.
noradrenaline in de hersenen. - Problemen met een leerkracht en
- Chronische lichamelijke aandoening zoals leerproblemen.
dementie, de ziekte van parkinson, diabetes.
- Chronische pijn of SOLK
- Een inactieve leefstijl
- Doormaken van een hartinfarct en een CVA
- Gebruik van sommige medicijnen
- Een andere psychische aandoening
- Alcohol- drusgebruik
- Slaapproblematiek
Levensgebeurtenissen:
- Verlieservaringen als verlies van een dierbare,
van een ongeboren kind, van werk of
gezondheid.
- (psycho) traumatische gebeurtenissen als
migratie, discriminatie en stigmatisering.
6.1 depressieve- stemmingsproblematiek.
Onthouden: de veelheid aan factoren die kunnen bijdragen aan het ontstaan van een depressie, en
dat die factoren niet specifiek zijn voor een depressie. Geen getallen leren.
6.1 depressieve- stemmingsproblematiek.
Depressieve stemmingsklachten zijn voor veel mensen aanleiding tot zelfbeschadiging of suïcidaal
gedrag.
De risico’s op het ontstaan van een depressie zijn beschreven in het zorgstandaard. Deze zijn in
persoonsgebonden risicofactoren en omgeving gebonden risicofactoren in gedeeld.
Persoonsgebonden risicofactoren Omgevingsgebonden risicofactoren
Erfelijkheid: Intergenerationele problemen:
- Kinderen van ouders met een depressie hebben - Kinderen van ouders van psychische of
meer kans op het krijgen va een depressie. verslavingsproblemen (KOPP-/KOV kinderen)
- Kinderen van ouders met ondermijnende
opvoedingsstijl: overmatig beschermend,
autoritair, of verwaarlozende stijl
- (psycho)traumatische jeugdervaringen als
(seksuele) mishandeling en emotionele
verwaarlozing.
- Relationele problemen of ruzie (tussen ouders)
Persoonlijkheid: Gebrek aan steun:
- Introvert of juist snel boos, angstig of verdrietig - Weinig sociale steun en eenzaamheid
- Geringe zelfwaarde - Sociale uitsluiting (door stigmatisering) en
- Moeite om met tegenslag of kritiek om te gaan gepest worden
- Ervaringen worden negatief geïnterpreteerd - Verblijf in een verzorgings- of verpleeghuis.
(negatieve cognitieve stijl) - Gezinsleden met een chronische zeikte of zorg
- Negatieve attributiestijl (oorzaken van gedrag voor een zieke partner.
worden negatief gelabeld)
Gezondheid: Materiële en werk- of schoolgerelateerde problemen:
- Hormonale afwijkingen door aandoeningen aan - Leven in armoede
schildklier of bijnier - Lage sociaal- economische omstandigheden
- Hormonale schommelingen tijdens of na - Verlies van werk en/of inkomen
zwangerschap, in de puberteit of menopauze. - Hoge werkdruk, weinig controle over taken en
- Tekort aan de neurotransmitters sertonine en weinig aanmoediging op het werk.
noradrenaline in de hersenen. - Problemen met een leerkracht en
- Chronische lichamelijke aandoening zoals leerproblemen.
dementie, de ziekte van parkinson, diabetes.
- Chronische pijn of SOLK
- Een inactieve leefstijl
- Doormaken van een hartinfarct en een CVA
- Gebruik van sommige medicijnen
- Een andere psychische aandoening
- Alcohol- drusgebruik
- Slaapproblematiek
Levensgebeurtenissen:
- Verlieservaringen als verlies van een dierbare,
van een ongeboren kind, van werk of
gezondheid.
- (psycho) traumatische gebeurtenissen als
migratie, discriminatie en stigmatisering.