Gypsy Rotsaert
2022-2023
BASIS VAN ONDERZOEK
INTRODUCTIE: WETENSCHAPPELIJKE PSYCHOLOGIE EN INTUÏTIEVE MENSENKENNIS
1. INTUÏTIE VS WETENSCHAP
Intuïtieve, alledaagse mensenkennis:
• Kennis uit ervaringen en observaties
Proefondervindelijk of empirisch
Doorgegeven via opvoeding en taal
Op basis hiervan proberen we tot theorieën te komen:
• Afleiden van algemene wetmatigheden (theorie)
Doel: gebeurtenissen voorspellen, er vat op krijgen
Wetenschap: vanuit empirie naar theorie gaan
Maar:
1. Verschillen in soorten ervaringen verschillen in hoe de gegevens verzameld worden
2. Verschillen ih trekken van conclusies zoeken naar patronen, samenhang…
,2. VERSCHILLEN IN HET VERZAMELEN VAN GEGEVENS
• Objectief subjectief
• Systematisch toevallig
• Gecontroleerd alledaags
2.1 OBJECTIEVE VASTSTELLINGEN
• Herhaalbaarheid/repliceerbaarheid
= objectiviteitsbeginsel
• Gebruik van meetinstrumenten
Bv.: thermometer, bloeddrukmeter…
Ψ Bv.: vragenlijsten, psychologische tests…
• Intersubjectiviteit
= nagaan in hoeverre onderzoekers onafhankelijk van elkaar tot eenzelfde conclusie komen
2.2 SYSTEMATISCHE OBSERVATIES
• Toeval uitsluiten
• Geen ‘selecte’ steekproef nemen
Wel groep mensen bevragen die representatief is en at random geselecteerd
2.3 GECONTROLEERDE SITUATIES
Mogelijks storende factoren zoveel mogelijk onder controle houden
Onderzoek in laboratorium
Aangepaste meetapparatuur
Bv.: pluviometer i.p.v. kippendrinkbak om neerslag te meten (drinkbak kan omgestoten, verdampt, uit gedronken
zijn…)
3. VERSCHILLEN IN HET ZOEKEN NAAR SAMENHANGEN
• Methodisch werken
• Inkaderen in een brede theorie
• Empirische toetsing
, 3.1 METHODISCH WERKEN
Twee onderzoekstradities:
1. Kwantitatief onderzoek: cijfermatig, statistiek…
2. Kwalitatief onderzoek: betekenissen, woorden…
Uitdrukken van verbanden, patronen…:
• Begrijpend Beschrijvend
• Correlationeel Explorerend/verkennend
• Experimenteel Toetsend
3.2 INKADEREN IN EEN BREDE THEORIE
• Een theorie
= een netwerk van relaties waarin wordt aangegeven hoe verschillende gebeurtenissen met elkaar in verband
staan.
• Een hypothese
= een veronderstelde samenhang (‘?’)
Bv.: misschien hebben meisjes hogere slaagkansen omdat ze intelligenter zijn
Kan gebruikt worden om de theorie te toetsen
Wordt gevormd tot:
• Wetten
= hypothesen die een groot aantal toetsingen met succes hebben doorstaan
Bv.: bij 100 graden kookt water
3.3 EMPIRISCHE TOETSING
Wetten zijn hypothesen die een groot aantal toetsingen met succes hebben doorstaan
Maar wetenschappelijke beweringen zijn steeds voorlopig!
‘Het is bewezen dat’ ‘Er is evidentie gevonden voor’
We aanvaarden iets tot het tegendeel bewezen is:
“Alle zwanen zijn wit.” falsificatie (Popper)
INTRODUCTIE: DE EMPIRISCHE CYCLUS
, 1. VERSCHIL TUSSEN INTUÏTIEVE, ALLEDAAGSE KENNIS EN WETENSCHAPPELIJKE KENNIS
• Alledaagse kennis: blindelings aangenomen of verworpen
• Wetenschappelijke kennis: empirisch getoetst alle bevindingen en de theorieën waar ze deel van uitmaken
systematisch op de proef stellen
2. DE EMPIRISCHE CYCLUS
• Bestaat uit verschillende fasen waarin empirische vaststellingen en theoretische uitwerkingen elkaar afwisselen
• Door falsificatie loopt de empirische cyclus oneindig verder
• Wetenschappelijk onderzoek biedt nooit zekerheden/‘bewijzen’, wel waarschijnlijkheden/aannames
1. Observatie:
vaak
1. eerder
Observatie
toevallige
5. 2.
Evaluatie Inductie
4. 3.
Toetsing Deductie
vaststellingen empirisch
2. Inductie: vaststellingen knn aanleiding geven tot het formuleren van
een mogelijke verklaring/hypothese. Die knn eventueel deel uitmaken
van een meer omvattende theorie
3. Deductie: voorlopig blijft het bij veronderstellingen. Zekerheid krijgen
uit de hypothese toetsbare voorspellingen afleiden
4. Toetsing: het confronteren van die concrete voorspelling met nieuw
feitenmateriaal
5. Evaluatie: uit de confrontatie zal blijken of de hypothese al dan niet
houdbaar is
+ = hypothese wordt bevestigd
- = hypothese verwerpen en eventueel vervangen door een nieuwe
theorie of hypothese
2022-2023
BASIS VAN ONDERZOEK
INTRODUCTIE: WETENSCHAPPELIJKE PSYCHOLOGIE EN INTUÏTIEVE MENSENKENNIS
1. INTUÏTIE VS WETENSCHAP
Intuïtieve, alledaagse mensenkennis:
• Kennis uit ervaringen en observaties
Proefondervindelijk of empirisch
Doorgegeven via opvoeding en taal
Op basis hiervan proberen we tot theorieën te komen:
• Afleiden van algemene wetmatigheden (theorie)
Doel: gebeurtenissen voorspellen, er vat op krijgen
Wetenschap: vanuit empirie naar theorie gaan
Maar:
1. Verschillen in soorten ervaringen verschillen in hoe de gegevens verzameld worden
2. Verschillen ih trekken van conclusies zoeken naar patronen, samenhang…
,2. VERSCHILLEN IN HET VERZAMELEN VAN GEGEVENS
• Objectief subjectief
• Systematisch toevallig
• Gecontroleerd alledaags
2.1 OBJECTIEVE VASTSTELLINGEN
• Herhaalbaarheid/repliceerbaarheid
= objectiviteitsbeginsel
• Gebruik van meetinstrumenten
Bv.: thermometer, bloeddrukmeter…
Ψ Bv.: vragenlijsten, psychologische tests…
• Intersubjectiviteit
= nagaan in hoeverre onderzoekers onafhankelijk van elkaar tot eenzelfde conclusie komen
2.2 SYSTEMATISCHE OBSERVATIES
• Toeval uitsluiten
• Geen ‘selecte’ steekproef nemen
Wel groep mensen bevragen die representatief is en at random geselecteerd
2.3 GECONTROLEERDE SITUATIES
Mogelijks storende factoren zoveel mogelijk onder controle houden
Onderzoek in laboratorium
Aangepaste meetapparatuur
Bv.: pluviometer i.p.v. kippendrinkbak om neerslag te meten (drinkbak kan omgestoten, verdampt, uit gedronken
zijn…)
3. VERSCHILLEN IN HET ZOEKEN NAAR SAMENHANGEN
• Methodisch werken
• Inkaderen in een brede theorie
• Empirische toetsing
, 3.1 METHODISCH WERKEN
Twee onderzoekstradities:
1. Kwantitatief onderzoek: cijfermatig, statistiek…
2. Kwalitatief onderzoek: betekenissen, woorden…
Uitdrukken van verbanden, patronen…:
• Begrijpend Beschrijvend
• Correlationeel Explorerend/verkennend
• Experimenteel Toetsend
3.2 INKADEREN IN EEN BREDE THEORIE
• Een theorie
= een netwerk van relaties waarin wordt aangegeven hoe verschillende gebeurtenissen met elkaar in verband
staan.
• Een hypothese
= een veronderstelde samenhang (‘?’)
Bv.: misschien hebben meisjes hogere slaagkansen omdat ze intelligenter zijn
Kan gebruikt worden om de theorie te toetsen
Wordt gevormd tot:
• Wetten
= hypothesen die een groot aantal toetsingen met succes hebben doorstaan
Bv.: bij 100 graden kookt water
3.3 EMPIRISCHE TOETSING
Wetten zijn hypothesen die een groot aantal toetsingen met succes hebben doorstaan
Maar wetenschappelijke beweringen zijn steeds voorlopig!
‘Het is bewezen dat’ ‘Er is evidentie gevonden voor’
We aanvaarden iets tot het tegendeel bewezen is:
“Alle zwanen zijn wit.” falsificatie (Popper)
INTRODUCTIE: DE EMPIRISCHE CYCLUS
, 1. VERSCHIL TUSSEN INTUÏTIEVE, ALLEDAAGSE KENNIS EN WETENSCHAPPELIJKE KENNIS
• Alledaagse kennis: blindelings aangenomen of verworpen
• Wetenschappelijke kennis: empirisch getoetst alle bevindingen en de theorieën waar ze deel van uitmaken
systematisch op de proef stellen
2. DE EMPIRISCHE CYCLUS
• Bestaat uit verschillende fasen waarin empirische vaststellingen en theoretische uitwerkingen elkaar afwisselen
• Door falsificatie loopt de empirische cyclus oneindig verder
• Wetenschappelijk onderzoek biedt nooit zekerheden/‘bewijzen’, wel waarschijnlijkheden/aannames
1. Observatie:
vaak
1. eerder
Observatie
toevallige
5. 2.
Evaluatie Inductie
4. 3.
Toetsing Deductie
vaststellingen empirisch
2. Inductie: vaststellingen knn aanleiding geven tot het formuleren van
een mogelijke verklaring/hypothese. Die knn eventueel deel uitmaken
van een meer omvattende theorie
3. Deductie: voorlopig blijft het bij veronderstellingen. Zekerheid krijgen
uit de hypothese toetsbare voorspellingen afleiden
4. Toetsing: het confronteren van die concrete voorspelling met nieuw
feitenmateriaal
5. Evaluatie: uit de confrontatie zal blijken of de hypothese al dan niet
houdbaar is
+ = hypothese wordt bevestigd
- = hypothese verwerpen en eventueel vervangen door een nieuwe
theorie of hypothese