DEEL 2: GESPREIDE BETALINGEN OF ANNUÏTEITEN
1. Inleidende begrippen
→ Een annuïteit = een verrichting die erin bestaat: periodiek en gedurende
een aantal periodes een bedrag te betalen met het doel een zeker kapitaal
te vormen of een bepaalde schuld af te lossen.
→ De betalingen kunnen jaarlijks, semestrieel, trimestrieel of maandelijks
gebeuren.
→ De bedragen staan uit op samengestelde intrest tegen een vaste
rentevoet.
x → bedrag
a → annuïteitfactor
n → periode gedurende dewelke de annuïteiten zullen worden betaald
t → tijdspanne die sinds de aanvang v/d verrichting is verlopen
p → uitstelperiode
→ Vormen van annuïteiten:
- constant of veranderende annuïteit
- tijdelijke of eeuwigdurende annuïteit
- dadelijk ingaande of uitgestelde annuïteit
- prenumerando of postnumerando annuïteit
→ Een annuïteit kan ook bestaan onder de vorm v/e lijfrente. Het aantal
periodes is dan afhankelijk v/h in leven blijven van 1 of meerdere personen.
→ Onmiddellijk ingaande tijdelijke annuïteit: de verplichting tot betalen bestaat
onmiddellijk.
→ Uitgestelde tijdelijke annuïteit:
- Uitgesteld: de overeenkomst tot betalen wordt vandaag gesloten, de
verplichting tot betalen gaat in na uitstelperiode (= p periodes).
- Tijdelijk: de betalingen zijn in duur beperkt, periodes = n, in iedere
periode gebeurt 1 betaling.
→ Aanvangswaarde v/e annuïteit = het kapitaal dat op tijdstip t=0 financieel
gelijk is aan de som v/d gespreide betalingen.
→ Perpetuïteit = een annuïteit waarvan het aantal termijnen onbegrensd is. Er
gebeuren dus oneindig aantal betalingen en er is geen “laatste” termijn.
→ Slotwaarde v/e annuïteit = het kapitaal dat op tijdstip t=n financieel gelijk is
aan de som v/d gespreide betalingen. (perpetuïteit heeft geen SW)
1