Soorten in verandering – evolutie
1 Hoofdstuk 1: argumenten voor evolutie
o Via evolutieleer => aangetoond dat alle soorten op aarde uit andere soorten zijn
ontstaan. evolutionaire verwantschap tussen alle soorten organismen
Veel kritiek v/h creationisme = religieus geïnspireerde overtuiging of opvatting dat het
universum en de aarde, maar ook alle organismen en de mens, ontstonden door een
bijzondere scheppingsdaad v/e ‘intelligente ontwerper’ = geloofsovertuiging a.d.h.v. een
scheppingsverhaal
1.1 Paleontologie
= wetenschap die fossielen bestudeert, om a.d.h. daarvan de aard en evolutie v/h leven op
aarde in het geologisch verleden te reconstrueren.
FOSSIELEN = alle resten en sporen van planten en dieren die geconserveerd zijn in
gesteenten
o Fossilisatie = zeldzaam
o Belangrijke factoren: zuurstofgehalte (zuurstofloze omgevingen), temperatuur
(koud), samenstelling v/h weefsel (hard)
o Archaeopteryx => gemeenschappelijke ouder van reptielen en vogels
FOSSIELE OVERGANSVORM = zo’n fossiel dat de overgangsschakel vormt tussen de
ene belangrijke levensvorm en een andere belangrijke levensvorm
bezit primitieve kenmerken
= belangrijke stap in de evolutie van organismen
Wanneer v/e bepaalde dierengroep voldoende fossielen gevonden zijn, kan er een
RECONSTRUCTIE of EVOLUTIEREEKS opgesteld worden v/d geleidelijke, graduele
veranderingen die de diergroep in de loop v/d evolutie heeft ondergaan.
Eohippus = primitief paard: paard werd groter + tenen evolueerden tot een hoef
walvis stamt af van een katachtige: ontwikkeling gestroomlijnde vorm + poten
en staart tot vinnen
1 Hoofdstuk 1: argumenten voor evolutie
o Via evolutieleer => aangetoond dat alle soorten op aarde uit andere soorten zijn
ontstaan. evolutionaire verwantschap tussen alle soorten organismen
Veel kritiek v/h creationisme = religieus geïnspireerde overtuiging of opvatting dat het
universum en de aarde, maar ook alle organismen en de mens, ontstonden door een
bijzondere scheppingsdaad v/e ‘intelligente ontwerper’ = geloofsovertuiging a.d.h.v. een
scheppingsverhaal
1.1 Paleontologie
= wetenschap die fossielen bestudeert, om a.d.h. daarvan de aard en evolutie v/h leven op
aarde in het geologisch verleden te reconstrueren.
FOSSIELEN = alle resten en sporen van planten en dieren die geconserveerd zijn in
gesteenten
o Fossilisatie = zeldzaam
o Belangrijke factoren: zuurstofgehalte (zuurstofloze omgevingen), temperatuur
(koud), samenstelling v/h weefsel (hard)
o Archaeopteryx => gemeenschappelijke ouder van reptielen en vogels
FOSSIELE OVERGANSVORM = zo’n fossiel dat de overgangsschakel vormt tussen de
ene belangrijke levensvorm en een andere belangrijke levensvorm
bezit primitieve kenmerken
= belangrijke stap in de evolutie van organismen
Wanneer v/e bepaalde dierengroep voldoende fossielen gevonden zijn, kan er een
RECONSTRUCTIE of EVOLUTIEREEKS opgesteld worden v/d geleidelijke, graduele
veranderingen die de diergroep in de loop v/d evolutie heeft ondergaan.
Eohippus = primitief paard: paard werd groter + tenen evolueerden tot een hoef
walvis stamt af van een katachtige: ontwikkeling gestroomlijnde vorm + poten
en staart tot vinnen