Hoofdstuk 1. Natuur- en scheikunde doen
1.1 NASK is overal
Voor het uitvinden van apparaten (zoals het vliegtuig, de computer etc) is kennis
nodig over hoe de natuur werkt. Natuur- en scheikunde zijn
natuurwetenschappen die de natuur bestuderen om die kennis op te doen en
heel precies te beschrijven en te begrijpen. Daarom noem je ze exacte vakken.
Ook wiskunde en biologie zijn exacte vakken. Verschillen:
- Wiskunde: door mensen bedacht, gaat niet over natuurverschijnselen (dus
geen natuurwetenschap), je vergelijkt theorie nooit met iets wat je in de
natuur ziet. NASK gebruikt wiskundige formules om verbanden aan te
geven.
- Biologie: gaat over levende natuur. Biologie gebruikt NASK kennis om de
levende natuur te begrijpen (theorie en praktijk wordt vergeleken).
NASK om je heen: zie figuur 1.2 vliegveld (elektriciteit, beweging, licht,
krachten, stoffen, geluid en warmte)
Bij NASK ga je op zoek naar verklaringen om natuurverschijnselen te begrijpen.
Je doet dit op een systematische manier door het doen van een proef of
experiment. Er zijn:
1. Kwalitatieve proeven: je resultaat is alleen een uitspraak.
2. Kwantitatieve proeven: je drukt resultaten uit in getallen.
Vb. glas water raakt na paar dagen vanzelf leeg (vb 1 pagina 10).
Waarneming: water verdwijnt. Verklaring: water kan verdampen.
Kwalitatieve proef: water in pan aan de kook brengen, water is sneller weg.
Kwalitatieve uitspraak: kokend water verdampt sneller dan water bij
kamertemperatuur.
Kwantitatieve proef: meten hoelang het duurt voordat een glas water bij 20
graden verdampt. En hetzelfde meten als je het kookt. Kwantitatief resultaat:
kokend water verdampt 108x zo snel als water van 20 graden.
Let op: voorzichtig conclusies trekken! Als je proef herhaalt kan resultaat anders
zijn, bijvoorbeeld door het weer, de vorm van een glas of pan etc. Een theorie is
een verklaring voor de uitkomsten van een onderzoek bij bepaalde
omstandigheden (dus als uitkomsten steeds gelijk zijn).
Door eeuwenlang natuurwetenschappelijk onderzoek zijn er veel ontdekkingen
gedaan over hoe de natuur werkt en is er veel kennis verzameld, daardoor:
- Voorspellingen: door kennis kunnen betrouwbare voorspellingen worden
gedaan, zoals de weersverwachting.
- Uitvindingen: door ontdekkingen zijn allerlei apparaten uitgevonden die
ons leven hebben veranderd, zoals de gloeilamp en computer.
Vb. ontdekkingen -> zwaartekracht en magnetisme.
, Verschil uitvinding en ontdekking: ontdekking bestond al maar kenden we niet,
uitvinding is iets nieuws dat nog niet bestond.
1.2 Het practicumlokaal
Practica/proeven: de experimenten die je in de les doet.
Belangrijkste veiligheidsregels practicumlokaal:
1. Luister goed naar docent of assistent.
2. Houd je aan de opdracht.
3. Draag een labjas en veiligheidsbril.
4. Draag lang haar in een staart.
In practicumlokaal vind je: (zie ook plaatje 1.5 op pagina 13)
1. Water: om te koelen of te spoelen.
2. Aardgas en brander: brander werkt op gas om te verwarmen of
verbranden.
3. Elektriciteit: stopcontact voor elektrische apparaten (bijv. bewegingen
onderzoeken).
Voor veiligheid:
1. Labjassen: om kleding en huid te beschermen tegen gevaarlijke stoffen.
2. Veiligheidsbrillen: om je ogen te beschermen tegen gevaarlijke stoffen.
3. Blusdeken: om kleine brand te blussen, bijv. kleding.
4. Brandblusser: om brand te blussen.
5. Oogdouche: om gevaarlijke, bijtende stof uit je oog te spoelen.
6. Nooddouche: om gevaarlijke, bijtende stof van je huid te spoelen.
7. Noodstop: om snel elektriciteit, water en gas uit te schakelen.
8. Veiligheidspictogrammen: om gevaar te herkennen, het zijn plaatjes
waaraan je kunt zien waarom een stof gevaarlijk is. Zie plaatje 1.6 op
pagina 14.
Gasbrander:
- Gasregelknop: bepaalt de grootte van de vlam.
- Luchtregelschijf: hiermee verander je de kleur en temperatuur van de
vlam.
o Midden: schijf dicht, vlam is geel = pauzevlam = veilig.
o Links: schijf open, vlam om te verwarmen = lichtblauw, vlam is niet
goed te zien en warm.
o Rechts: gas vol open, ruisende vlam = nog warmer.
1.1 NASK is overal
Voor het uitvinden van apparaten (zoals het vliegtuig, de computer etc) is kennis
nodig over hoe de natuur werkt. Natuur- en scheikunde zijn
natuurwetenschappen die de natuur bestuderen om die kennis op te doen en
heel precies te beschrijven en te begrijpen. Daarom noem je ze exacte vakken.
Ook wiskunde en biologie zijn exacte vakken. Verschillen:
- Wiskunde: door mensen bedacht, gaat niet over natuurverschijnselen (dus
geen natuurwetenschap), je vergelijkt theorie nooit met iets wat je in de
natuur ziet. NASK gebruikt wiskundige formules om verbanden aan te
geven.
- Biologie: gaat over levende natuur. Biologie gebruikt NASK kennis om de
levende natuur te begrijpen (theorie en praktijk wordt vergeleken).
NASK om je heen: zie figuur 1.2 vliegveld (elektriciteit, beweging, licht,
krachten, stoffen, geluid en warmte)
Bij NASK ga je op zoek naar verklaringen om natuurverschijnselen te begrijpen.
Je doet dit op een systematische manier door het doen van een proef of
experiment. Er zijn:
1. Kwalitatieve proeven: je resultaat is alleen een uitspraak.
2. Kwantitatieve proeven: je drukt resultaten uit in getallen.
Vb. glas water raakt na paar dagen vanzelf leeg (vb 1 pagina 10).
Waarneming: water verdwijnt. Verklaring: water kan verdampen.
Kwalitatieve proef: water in pan aan de kook brengen, water is sneller weg.
Kwalitatieve uitspraak: kokend water verdampt sneller dan water bij
kamertemperatuur.
Kwantitatieve proef: meten hoelang het duurt voordat een glas water bij 20
graden verdampt. En hetzelfde meten als je het kookt. Kwantitatief resultaat:
kokend water verdampt 108x zo snel als water van 20 graden.
Let op: voorzichtig conclusies trekken! Als je proef herhaalt kan resultaat anders
zijn, bijvoorbeeld door het weer, de vorm van een glas of pan etc. Een theorie is
een verklaring voor de uitkomsten van een onderzoek bij bepaalde
omstandigheden (dus als uitkomsten steeds gelijk zijn).
Door eeuwenlang natuurwetenschappelijk onderzoek zijn er veel ontdekkingen
gedaan over hoe de natuur werkt en is er veel kennis verzameld, daardoor:
- Voorspellingen: door kennis kunnen betrouwbare voorspellingen worden
gedaan, zoals de weersverwachting.
- Uitvindingen: door ontdekkingen zijn allerlei apparaten uitgevonden die
ons leven hebben veranderd, zoals de gloeilamp en computer.
Vb. ontdekkingen -> zwaartekracht en magnetisme.
, Verschil uitvinding en ontdekking: ontdekking bestond al maar kenden we niet,
uitvinding is iets nieuws dat nog niet bestond.
1.2 Het practicumlokaal
Practica/proeven: de experimenten die je in de les doet.
Belangrijkste veiligheidsregels practicumlokaal:
1. Luister goed naar docent of assistent.
2. Houd je aan de opdracht.
3. Draag een labjas en veiligheidsbril.
4. Draag lang haar in een staart.
In practicumlokaal vind je: (zie ook plaatje 1.5 op pagina 13)
1. Water: om te koelen of te spoelen.
2. Aardgas en brander: brander werkt op gas om te verwarmen of
verbranden.
3. Elektriciteit: stopcontact voor elektrische apparaten (bijv. bewegingen
onderzoeken).
Voor veiligheid:
1. Labjassen: om kleding en huid te beschermen tegen gevaarlijke stoffen.
2. Veiligheidsbrillen: om je ogen te beschermen tegen gevaarlijke stoffen.
3. Blusdeken: om kleine brand te blussen, bijv. kleding.
4. Brandblusser: om brand te blussen.
5. Oogdouche: om gevaarlijke, bijtende stof uit je oog te spoelen.
6. Nooddouche: om gevaarlijke, bijtende stof van je huid te spoelen.
7. Noodstop: om snel elektriciteit, water en gas uit te schakelen.
8. Veiligheidspictogrammen: om gevaar te herkennen, het zijn plaatjes
waaraan je kunt zien waarom een stof gevaarlijk is. Zie plaatje 1.6 op
pagina 14.
Gasbrander:
- Gasregelknop: bepaalt de grootte van de vlam.
- Luchtregelschijf: hiermee verander je de kleur en temperatuur van de
vlam.
o Midden: schijf dicht, vlam is geel = pauzevlam = veilig.
o Links: schijf open, vlam om te verwarmen = lichtblauw, vlam is niet
goed te zien en warm.
o Rechts: gas vol open, ruisende vlam = nog warmer.