Hoofdstuk 8 : reacties in de organische chemie – hoe dit instuderen?
1. Enkele vragen aangaande de leerstof
1) Een vergelijking kunnen maken tussen reacties binnen de anorganische en de organische chemie of de
complexiteit van reacties in de organische chemie kunnen verklaren.
Anorganische chemie Organische chemie
Eenvoudige reactiemechanismen: Complexe reactiemechanismen:
Vlot verloop, lage activeringsenergie Minder vlot verloop, minder snel
Vaak in tussenstappen
Ionverbindingsreacties Vaak meerdere eindproducten
redoxreacties Vaak onvolledig => evenwichtsreacties
Vaak eindproducten die afhankelijk zijn vh
reactiemilieu
2) De criteria kunnen opnoemen die men hanteert bij de indeling van reacties in de organische chemie.
- Aantal atomen uitgangsproduct tegenover aantal atomen eindproduct
- Aanwezigheid v atomen in eindproduct die niet aanwezig zijn in beginproduct
- Posities v alle atomen beginproduct tegenover de posities v alle atomen eindproduct
- Aantasting vh substraat door de reagensdeeltjes
3) Het verschil kennen tussen een substraatdeel en een reagensdeel in een chemische reactie.
Substraatdeel:
= grootste belangrijke moleculen
Reagensdeeltjes:
= kleine aanvallende deeltjes
4) Weten wat degradatiereacties zijn.
Afbraak KWS
C-C bindingen verbroken in skelet structuur v substraatmolecule wijzigt grondig.
5) Weten wat additiereacties zijn.
Stof 1 + stof 2 stof 3
2 reagerende moleculen combineren zich tot 1 nieuwe molecule.
binding v atomen (of atoomgroepen) aan het substraat.
Bij moleculen met dubbele bindingen (=zwakke π binding)
Onderverdeeld in:
- Nucleofiele additiereactie
- Elektrofiele additiereactie
- Addities van HY-verbindingen Y=halogeen
6) Het verschil kunnen weergeven tussen nucleofiele en elektrofiele additiereacties.
Nucleofiele additiereactie:
Stap 1 nucleofiel deeltje vormt covalente binding met relatief e --arme onverzadigd atoom.
Elektrofiele additiereactie:
Stap 1 elektrofiel deeltje vormt een covalente binding met atoom vd e --rijke onverzadigde C=C binding.
1
, 7) Weten wat een eliminatiereactie is.
Stof 1 stof 2 + stof 3 (= omgekeerde ve additiereactie)
Complexe molecule wordt opgesplitst in 2 eenvoudigere moleculen
Onstaan ve dubbele binding
Onderverdeeld in:
- Bimoleculaire eliminatiereactie
- Unimoleculaire eliminatiereactie
8) Weten wat een substitutiereactie is.
Stof -A stof -B (= combinatie ve additiereactie en eliminatiereactie)
In belangrijkste molecule ve reactie atoom(groep) vervangen.
Structuur veranderd de organische molecule niet
Onderverdeeld in:
- Nucleofiele substitutiereactie
- Elektrofiele substitutiereactie
9) Het verschil kunnen weergeven tussen een nucleofiele en elektrofiele substitutiereactie.
Nucleofiele substitutiereactie:
Inkomende groep = nucleofiel
Elektrofiele substitutiereactie:
Inkomende groep = elektrofiel
10) Weten wat een omleggingsreactie is.
Stof ABC stof CAB
Verandering in het skelet:
volgorde v C-atomen verandert
omvorming ve functionele groep naar een andere
al dan niet afscheiden v kleine moleculen
11) Weten wat isomerisatiereacties zijn.
Stof AB stof AC
C B
Molecule wordt omgevormd tot andere molecule met zelfde brutoformule
geen verandering in skelet
12) Weten wat aaneenschakelingsreacties zijn en de verschillende soorten kunnen opnoemen.
Stof 1 + stof 2 stof 3 Stof 1 + stof 3 stof 4 Stof 1 + stof 4 stof 5
Blijven zich herhalen ontstaan v macromoleculen:
- ontstaan v kunststoffen (polymeren)
- ontstaan v biologische org. stoffen (eiwitten, vetten, suikers)
Onderverdeeld in:
- Condensatiereacties
- Polymerisatiereacties
- Polycondensatiereacties
- polyadditiereacties
13) Het verschil tussen polycondensatiereacties en polyadditiereacties kunnen weergeven.
Polycondensatiereactie:
Aaneenschakeling v 1 soort moleculen met 2 functionele groepen OF
aaneenschakeling v 2 soorten moleculen, elk met 2 functionele groepen.
ontstaan v nieuwe molecule met andere functionele groep en afsplitsing ve kleine molecule
Polyadditiereactie:
2
1. Enkele vragen aangaande de leerstof
1) Een vergelijking kunnen maken tussen reacties binnen de anorganische en de organische chemie of de
complexiteit van reacties in de organische chemie kunnen verklaren.
Anorganische chemie Organische chemie
Eenvoudige reactiemechanismen: Complexe reactiemechanismen:
Vlot verloop, lage activeringsenergie Minder vlot verloop, minder snel
Vaak in tussenstappen
Ionverbindingsreacties Vaak meerdere eindproducten
redoxreacties Vaak onvolledig => evenwichtsreacties
Vaak eindproducten die afhankelijk zijn vh
reactiemilieu
2) De criteria kunnen opnoemen die men hanteert bij de indeling van reacties in de organische chemie.
- Aantal atomen uitgangsproduct tegenover aantal atomen eindproduct
- Aanwezigheid v atomen in eindproduct die niet aanwezig zijn in beginproduct
- Posities v alle atomen beginproduct tegenover de posities v alle atomen eindproduct
- Aantasting vh substraat door de reagensdeeltjes
3) Het verschil kennen tussen een substraatdeel en een reagensdeel in een chemische reactie.
Substraatdeel:
= grootste belangrijke moleculen
Reagensdeeltjes:
= kleine aanvallende deeltjes
4) Weten wat degradatiereacties zijn.
Afbraak KWS
C-C bindingen verbroken in skelet structuur v substraatmolecule wijzigt grondig.
5) Weten wat additiereacties zijn.
Stof 1 + stof 2 stof 3
2 reagerende moleculen combineren zich tot 1 nieuwe molecule.
binding v atomen (of atoomgroepen) aan het substraat.
Bij moleculen met dubbele bindingen (=zwakke π binding)
Onderverdeeld in:
- Nucleofiele additiereactie
- Elektrofiele additiereactie
- Addities van HY-verbindingen Y=halogeen
6) Het verschil kunnen weergeven tussen nucleofiele en elektrofiele additiereacties.
Nucleofiele additiereactie:
Stap 1 nucleofiel deeltje vormt covalente binding met relatief e --arme onverzadigd atoom.
Elektrofiele additiereactie:
Stap 1 elektrofiel deeltje vormt een covalente binding met atoom vd e --rijke onverzadigde C=C binding.
1
, 7) Weten wat een eliminatiereactie is.
Stof 1 stof 2 + stof 3 (= omgekeerde ve additiereactie)
Complexe molecule wordt opgesplitst in 2 eenvoudigere moleculen
Onstaan ve dubbele binding
Onderverdeeld in:
- Bimoleculaire eliminatiereactie
- Unimoleculaire eliminatiereactie
8) Weten wat een substitutiereactie is.
Stof -A stof -B (= combinatie ve additiereactie en eliminatiereactie)
In belangrijkste molecule ve reactie atoom(groep) vervangen.
Structuur veranderd de organische molecule niet
Onderverdeeld in:
- Nucleofiele substitutiereactie
- Elektrofiele substitutiereactie
9) Het verschil kunnen weergeven tussen een nucleofiele en elektrofiele substitutiereactie.
Nucleofiele substitutiereactie:
Inkomende groep = nucleofiel
Elektrofiele substitutiereactie:
Inkomende groep = elektrofiel
10) Weten wat een omleggingsreactie is.
Stof ABC stof CAB
Verandering in het skelet:
volgorde v C-atomen verandert
omvorming ve functionele groep naar een andere
al dan niet afscheiden v kleine moleculen
11) Weten wat isomerisatiereacties zijn.
Stof AB stof AC
C B
Molecule wordt omgevormd tot andere molecule met zelfde brutoformule
geen verandering in skelet
12) Weten wat aaneenschakelingsreacties zijn en de verschillende soorten kunnen opnoemen.
Stof 1 + stof 2 stof 3 Stof 1 + stof 3 stof 4 Stof 1 + stof 4 stof 5
Blijven zich herhalen ontstaan v macromoleculen:
- ontstaan v kunststoffen (polymeren)
- ontstaan v biologische org. stoffen (eiwitten, vetten, suikers)
Onderverdeeld in:
- Condensatiereacties
- Polymerisatiereacties
- Polycondensatiereacties
- polyadditiereacties
13) Het verschil tussen polycondensatiereacties en polyadditiereacties kunnen weergeven.
Polycondensatiereactie:
Aaneenschakeling v 1 soort moleculen met 2 functionele groepen OF
aaneenschakeling v 2 soorten moleculen, elk met 2 functionele groepen.
ontstaan v nieuwe molecule met andere functionele groep en afsplitsing ve kleine molecule
Polyadditiereactie:
2