1. INTRODUCTIE TOT WETENSCHAPPELIJK DENKEN ................................................................ 3
1.1 Psychologie als wijze van denken ...................................................................................................... 3
1.2 Bronnen van informatie .................................................................................................................... 8
2. GRONDBEGINSELEN VAN ALLE ONDERZOEK ...................................................................... 12
2.1 Drie soorten uitspraken, vier aspecten van validiteit ....................................................................... 12
2.2 Ethische richtlijnen voor psychologisch onderzoek .......................................................................... 17
3. SURVEYS .............................................................................................................................. 27
3.1 Goede metingen .............................................................................................................................. 27
3.2 Surveys en observaties .................................................................................................................... 33
4. SAMPLING ........................................................................................................................... 41
4.1 Veralgemenen ................................................................................................................................. 41
4.2 Sampling ......................................................................................................................................... 42
4.3 Wanneer is externe validiteit belangrijk? ........................................................................................ 47
4.4 Sample size ..................................................................................................................................... 48
5. BIVARIAAT CORRELATIONEEL ONDERZOEK ........................................................................ 49
5.1 Drie voorbeelden ............................................................................................................................ 49
5.2 Definitie en validiteit beoordelen .................................................................................................... 51
5.3 Construct validiteit .......................................................................................................................... 52
5.4 Statistische validiteit ....................................................................................................................... 52
5.5 Interne validiteit ............................................................................................................................. 55
5.6 Externe validiteit ............................................................................................................................. 56
6. MULTIVARIAAT CORRELATIONEEL ONDERZOEK ................................................................ 57
6.1 Criteria voor causaliteit ................................................................................................................... 57
6.2 Longitudinale designs ...................................................................................................................... 58
6.3 Meervoudige regressie .................................................................................................................... 60
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Tim Vantilborgh 1
,6.4 Mediatie ......................................................................................................................................... 64
6.5 Controleren ..................................................................................................................................... 65
7. EENVOUDIG EXPERIMENTEEL ONDERZOEK ....................................................................... 66
7.1 Twee voorbeelden .......................................................................................................................... 66
7.2 Experimenten .................................................................................................................................. 67
7.3 Vier aspecten van validiteit beoordelen .......................................................................................... 72
8. EXPERIMENTEN: CONFOUNDING AND OBSCURING VARIABLES ....................................... 74
8.1 Voorbeelden van slechte experimenten .......................................................................................... 74
8.2 Bedreigingen van de interne validiteit ............................................................................................. 75
8.3 Null-effects...................................................................................................................................... 80
8.4 Power ............................................................................................................................................. 81
9. EXPERIMENTEN MET MEER DAN 1 ONAFHANKELIJKE VARIABELE .................................... 84
9.1 Twee voorbeelden .......................................................................................................................... 84
9.2 Factoriële designs ............................................................................................................................ 85
9.3 Hoofdeffecten en interacties ........................................................................................................... 87
9.4 Mogelijke effecten in een 2X2 design .............................................................................................. 88
9.5 Resultaten verwoorden ................................................................................................................... 90
9.6 Varianten van factoriële designs...................................................................................................... 90
10. QUASI-EXPERIMENTEN, SMALL-N DESIGNS EN REPLICATIE .......................................... 92
10.1 Quasi-experimenten........................................................................................................................ 92
10.2 Small-n experiment ......................................................................................................................... 94
10.3 Replicatie ........................................................................................................................................ 97
10.4 Meta-analyse ................................................................................................................................ 100
10.5 Veralgemeenbaarheid ................................................................................................................... 102
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Tim Vantilborgh 2
, 1. Introductie tot wetenschappelijk denken
1.1 Psychologie als wijze van denken
Onderzoek produceren of consumeren:
- Rol van onderzoek ‘producent’ vs rol van onderzoek ‘consument’
- Als producent produceer je onderzoek
o Bv.: masterproef, doctoraat, onderzoekswereld,…
- Als consument ga je onderzoek gebruiken en daarmee in contact komen
o Bv.: als klinisch psycholoog moet je evidence-based te werk gaan
o Belang van de consumentenrol:
§ Facilitated communication treatment
• Dit is een behandeling die de communicatie van mensen met
autisme of communicatieve handicaps probeert te
ondersteunen
• Ze gaan dit doen door de persoon in kwestie te begeleiden
naar de letters die nodig zijn om te communiceren
• Dit klinkt een zeer handige methode maar onderzoek wijst
anders uit
o In het onderzoek lieten ze patiënten en therapeuten
apart foto’s zien
o Wat ze niet wisten, was dat beide groepen andere
foto’s te zien kregen
o Daarna werd er gevraagd wat de patiënt gezien had
o De therapeut beleidt de patiënt met het antwoord te
vormen maar ze zagen dat het antwoord altijd
overeenkwam met de foto die de therapeut zag
o Conclusie: therapeut begeleidt niet enkel maar stuurt
ook, wat ervoor zorgt dat dit geen juiste communicatie
is en niet werkt zoals men dacht
§ Scared-straight approach
• Dit is een behandeling waardat men jongeren die in contact
zijn gekomen met justitie op juiste pad doen geraken door hen
angst aan te jagen
• Ook hier toont onderzoek aan dat deze methode niet werkt
o Jongeren die deze behandeling kregen, gingen in de
toekomst niet minder criminaliteit plegen
o Integendeel, ze gingen juist vaker aan criminaliteit doen
§ “Mindfulness kan je beter doen presteren op school”
• Onderzoek bevestigt deze uitspraak
• De groep met mindfulnesstraining scoorde hogere punten dan
de groep die een andere soort training had gekregen
- Kritische mindset is essentieel
- Niet al het gepubliceerd onderzoek is correct of robuust
- Psychologisch onderzoek zit in een turbulente periode
o Onderzoekers beseffen meer en meer dat vele studies die gebeurd zijn toch
niet zo robuust zijn
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Tim Vantilborgh 3
, o De resultaten zijn niet repliceerbaar of kloppen volledig niet
o In 2011 publiceerde een Amerikaans onderzoeker een artikel in een
psychologisch tijdschrift
§ Hij toonde hierin met 9 experimenten aan dat mensen de toekomst
kunnen voorspellen
§ Die intiële reactie van vele mensen was ongeloof maar als je het
artikel begon te lezen dan leek alles correct en juist uitgevoerd
§ Ze zijn hier dieper gaan graven en kwamen uiteindelijk toch tot de
conclusie dat het inderdaad niet allemaal klopten
§ Die man had heel veel experimenten gedaan maar enkel die 9
experimenten gepubliceerd die succes als uitkomst hadden
§ De statische analyse was ook zo gemanipuleerd zodat er toch een
significant resultaat zou bekomen worden
o Hierdoor zijn onderzoekers meer beginnen stilstaan bij de manier waarop er
onderzoek gedaan wordt en hebben ze verschillende regels geïmplementeerd
om zo’n zaken te voorkomen
Hoe werken wetenschappers?
- Wetenschap is gebaseerd op empirie
o De empirische methode is gebaseerd op data van
§ Direct zintuigelijke waarnemingen
• Bv.: tijdens een experiment het gedrag van de proefpersoon
observeren
§ Meetinstrumenten
• Bv.: vragenlijsten afnemen
o Die data worden gebruikt om conclusies te trekken
§ Onze bevindingen zijn gebaseerd op data die we verzameld hebben
o Empirische wetenschappers trachten systematisch, nauwkeurig en
repliceerbaar onderzoek te verrichten
§ Andere wetenschappers moeten de mogelijkheid hebben om jouw
onderzoek na te doen en hopelijk dezelfde uitkomsten te krijgen
o Empirie is niet gebaseerd op eigen ervaringen, intuïtie of autoriteitsfiguren
- Wetenschappers testen theorieën
o Met die data gaan we een theorie toetsen
o Theorie-data cyclus:
§ We starten met een theorie
§ Obv deze theorie hebben we onderzoeksvragen en een
onderzoeksdesign
§ Hiermee kunnen we concrete hypotheses gaan toetsen
§ Om die hypotheses te toetsen, gaan we data verzamelen
§ Die data kan onze theorie wel of niet ondersteunen
• Als die niet ondersteunt wordt, dan kan dat liggen aan het
onderzoeksdesign of aan het feit dat de theorie fout is
• Je kan de theorie dan herzien waardoor de hele cyclus opnieuw
start
o Bv.: onderzoek Harlow, genaamd cupboard theory vs contact comfort theory
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Tim Vantilborgh 4