1. INLEIDING .............................................................................................................................. 3
2. GESCHIEDENIS ....................................................................................................................... 4
2.1 Eerste cognitieve psychologen........................................................................................................... 4
2.2 Opkomst behaviorisme ..................................................................................................................... 5
2.3 Cognitieve revolutie .......................................................................................................................... 7
2.4 Hedendaagse cognitieve psychologie ................................................................................................ 8
3. PERCEPTIE ............................................................................................................................. 8
3.1 Wat is perceptie? .............................................................................................................................. 8
3.2 Psychofysica ...................................................................................................................................... 9
3.3 Objectherkenning............................................................................................................................ 11
3.4 Gezichtsherkenning ......................................................................................................................... 14
4. AANDACHT .......................................................................................................................... 15
4.1 Selectieve aandacht ........................................................................................................................ 15
4.2 Verdeelde aandacht ........................................................................................................................ 25
4.3 Neurale basis aandacht ................................................................................................................... 27
5. KORTETERMIJNGEHEUGEN ................................................................................................. 28
5.1 Modaalmodel .................................................................................................................................. 31
5.2 Sensorisch register .......................................................................................................................... 31
5.3 KTG ................................................................................................................................................. 33
5.4 Werkgeheugenmodel ...................................................................................................................... 35
5.5 Model Cowan .................................................................................................................................. 39
6. LANGETERMIJNGEHEUGEN ................................................................................................ 40
6.1 Structuur van het langetermijngeheugen ........................................................................................ 41
6.2 Expliciet geheugen .......................................................................................................................... 44
6.3 Semantisch geheugen...................................................................................................................... 44
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Natacha Deroost 1
,6.4 Episodisch geheugen ....................................................................................................................... 46
6.5 Impliciet geheugen .......................................................................................................................... 50
7. TAAL ..................................................................................................................................... 52
7.1 Taalstructuur en -niveaus ................................................................................................................ 53
7.2 Aangeboren vs aangeleerd .............................................................................................................. 55
7.3 Spraak ............................................................................................................................................. 56
7.4 Theorieën spraakherkenning ........................................................................................................... 58
7.5 Leesprocessen ................................................................................................................................. 60
7.6 Taal en het brein ............................................................................................................................. 62
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Natacha Deroost 2
, 1. Inleiding
Cognitieve psychologie = wetenschappelijke studie van mentale processen
- Bv.: bestaat multitasking? Zorgen sterke emoties voor betere herinneringen?
- Verschillende subdomeinen: perceptie, aandacht, geheugen, redeneren,…
Cognitieve wetenschappen = interdisciplinair onderzoek naar cognitie is een wetenschap op
zich geworden
- Psychologie, neurowetenschappen, linguïstiek, computerwetenschappen, filosofie,…
- Dit is veel breder dan enkel cognitieve psychologie
Wetenschappelijke methode:
- In cognitieve psychologie wordt de experimentele methode gebruikt
- Onderzoeksvragen beantwoorden adhv experimenten
o Manipulatie van de onafhankelijke variabelen
o Dit heeft een effect op de afhankelijke variabelen
§ Afhankelijke variabelen zijn meestal reactietijden of nauwkeurigheid
• Dit is specifiek zo voor gedragsstudies
§ Andere soorten zijn breinactivatie, zelfrapportering, oogbewegingen,…
o Controlevariabelen (zoals leeftijd, geslacht,…)
§ Storende variabelen onder controle houden adhv randomizatie,
counterbalancing, matching
o Populaties:
§ Meestal gezonde volwassenen en studenten
§ Specialisaties: kinderen en baby’s, dieren, patiënten met laesies,…
Theorie: obv experimenteel onderzoek tracht de cognitieve psychologie theorieën te
ontwikkelen
- Samenvatting van data
o Jaarlijks gebeuren er duizenden experimenten
o Soms mathematische wetmatigheden
§ Bv.: power law of pratice: grootste progressie zie je in het begin
• Naarmate de tijd vordert, haal je steeds minder winst uit
oefening
• Je zit aan jouw limiet en kan enkel nog maar de vaardigheid
onderhouden
- Verklaring van data: experimentele methode laat toe om een uitspraak te doen over
causaliteit
- Voorspelling van data
- Verband tussen onderzoek en theorievorming
o Zonder een goede theorie is zelfs de beste data waardeloos
o Data kunnen enkel verklaard worden door theorieën
o Theorieën kunnen enkel tot stand komen via data
o Geen zwart-wit denken, maar standpunt ondersteunen door zoveel mogelijk
onderzoeksevidentie te verzamelen
o Wetenschappelijk denken vraagt veel oefening en kan aangeleerd worden
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Natacha Deroost 3
, 2. Geschiedenis
Interesse voor mentale processen is eeuwenoud
- Filosofische studie naar bewustzijn en de geest
- Aristoteles: ons geheugen is als een kleitablet waarop we info kunnen schrijven
- Socrates: kennis is aangeboren, men kan deze verzamelen, maar niet verwerven
2.1 Eerste cognitieve psychologen
Cognitief psychologisch onderzoek reeds in de 19de eeuw
- Deels zelfs voor de start van de psychologie (1879)
Pioniers:
- Franciscus Donders
o Vader van de mentale chronometrie
§ Hoeveel tijd nemen mentale processen in beslag?
§ Bestudeerde dit adhv reactietijdtaken
§ Reactietijd = tijd tussen het aanbieden van de prikkel en het reageren
op de prikkel
§ 3 reactietijdtaken:
• Enkelvoudige reactietijdtaak
o 1 respons geven
o Stimulus 1 zorgt voor respons 1
§ Bv.: voor de rode prikkel moet je toets 1
indrukken
o Dit is de a-reactie
• Keuze reactietijdtaak
o Keuze maken tussen responsen
o Stimulus 1 zorgt voor respons 1 en stimulus 2 zorgt voor
respons 2
§ Bv.: voor de rode prikkel moet je toets 1
indrukken maar voor de groene prikkel moet je
toets 2 indrukken
o Dit is de b-reactie. Dit omvat:
§ De a-reactie
§ Stimulusdiscriminatie en -identificatie
§ Responsselectie
• Go-no-go reactietijdtaak
o Wel of geen reactie geven
o Stimulus 1 zorgt voor respons 1 en stimulus 2 zorgt voor
geen respons
§ Bv.: voor de rode prikkel moet je toets 1
indrukken maar voor de groene prikkel mag je
niet reageren
o Dit is de c-reactie. Dit omvat:
§ De a-reactie
§ Stimulusdiscriminatie en -identificatie
Bron: lessen en powerpoints gegeven door prof. Natacha Deroost 4