35 Toetsvragen om mee te oefenen
1. Van welk bot is het acromion een onderdeel?
a. Clavicula c. Os ilium
b. Scapula d. Sternum
2. Welk bot heeft een trochanter minor & major?
a. Humerus c. Femur
b. Scapula d. Tibia
3. De cavitas glenoïdalis is een onderdeel van….
a. Femur c. Scapula
b. Os coxae d. Sternum
4. Welke spier zit vast aan het caput fibulae?
a. M. biceps femoris c. M. peroneus (fibularis) longus
b. M. quadriceps femoris d. M. semimembranosus
5. Welk ligament zit vast aan de epicondylus medialis van het femur?
a. Lig. collaterale tibiale c. Lig. cruciatum anterius
b. Lig. collaterale fibulare d. Lig. cruciatum posterius
6. Uit welke 3 botten bestaat het bovenste spronggewricht?
a. Calcaneus, fibula, tibia d. Talus, calcaneus, os naviculare
b. Talus, fibula, tibia (dit is OSG)
c. Talus, calcaneus, tibia
7. Welke bewering, m.b.t. pronatie (eversie), is juist?
a. Dit is een beweging in de enkel waarbij de binnenrand van de voet omhoog komt.
b. Dit is een beweging in de enkel waarbij de buitenrand van de voet omhoog komt.
c. Deze beweging wordt bewerkstelligd door de m. tibialis anterior.
d. Deze beweging wordt bewerkstelligd door de m. tibialis posterior.
8. Welke bewering is juist?
a. De processus xiphoïdeus is een onderdeel van de scapula.
b. Het olecranon is een onderdeel van de ulna.
c. De trochanter minor ligt aan de ventrale zijde van het femur.
d. De tarsus bestaat uit 8 botjes.
9. Welke bewering, m.b.t. de rotatie in de knie, is juist?
a. Rotatie in de knie vindt plaats om een sagittale bewegingsas.
b. Endorotatie van het onderbeen kan door de m. biceps femoris worden bewerkstelligd.
c. Exorotatie van het onderbeen kan door de m. sartorius worden bewerkstelligd.
d. Rotatie van het onderbeen is niet mogelijk met een gestrekte knie.
, 10. Noem een spier die vastzit aan het lig. patellae?
a. M. soleus c. M. tibialis posterior
b. M. peroneus (fibularis) longus d. M. quadriceps femoris
11. Wanneer het niet lukt om (met gestrekte benen) de grond aan te tikken, zou er sprake
kunnen zijn van…..
a. Actieve insufficiëntie van de m. quadriceps femoris.
b. Passieve insufficiëntie van de m. quadriceps femoris.
c. Actieve insufficiëntie van de m. biceps femoris.
d. Passieve insufficiëntie van de biceps femoris.
12. Welke botten horen tot de origo en insertie van de ischiocrurale spieren?
a. Schaambeen, dijbeen en scheenbeen.
b. Darmbeen, scheenbeen en patella.
c. Zitbeen, scheenbeen, kuitbeen.
d. Dijbeen, kuitbeen en calcaneus.
13. Waar bevindt zich de tuberositas tibiae?
a. Ventraal van de patella. c. Proximaal van de patella.
b. Dorsaal van de patella. d. Distaal van de patella.
14. Welke bewering m.b.t. het art. talotarsalis is juist?
a. Dit gewricht heeft een bewegingsas die o.a. loopt van mediaal-ventraal naar lateraal-
dorsaal.
b. De m. tibialis anterior loopt met z’n werklijn lateraal van de as in dit gewricht.
c. De bewegingsmogelijkheden in dit gewricht zijn plantair flexie en dorsaal flexie.
d. Geen enkele bewering is juist.
15. Waar vindt je een membrana interossea?
a. Tussen spaakbeen en ellepijp.
b. Tussen beide schaambeenbotten.
c. Tussen hielbeen en sprongbeen.
d. Tussen de handwortelbotjes.
16. Uit wat voor een weefsel bestaat een membrana interossea?
a. Botweefsel c. Bindweefsel
b. Kraakbeenweefsel d. Epitheelweefsel
17. Welke functie heeft het pars acromialis van de m. deltoïdeus om de sagittale bewegingsas in
het schoudergewricht?
a. Abductie. c. Exorotatie.
b. Adductie. d. Endorotatie.
18. Welke functie heeft de m. latissimus dorsi om de longitudinale bewegingsas in het
schoudergewricht?
a. Abductie. c. Exorotatie.
b. Adductie. d. Endorotatie.
1. Van welk bot is het acromion een onderdeel?
a. Clavicula c. Os ilium
b. Scapula d. Sternum
2. Welk bot heeft een trochanter minor & major?
a. Humerus c. Femur
b. Scapula d. Tibia
3. De cavitas glenoïdalis is een onderdeel van….
a. Femur c. Scapula
b. Os coxae d. Sternum
4. Welke spier zit vast aan het caput fibulae?
a. M. biceps femoris c. M. peroneus (fibularis) longus
b. M. quadriceps femoris d. M. semimembranosus
5. Welk ligament zit vast aan de epicondylus medialis van het femur?
a. Lig. collaterale tibiale c. Lig. cruciatum anterius
b. Lig. collaterale fibulare d. Lig. cruciatum posterius
6. Uit welke 3 botten bestaat het bovenste spronggewricht?
a. Calcaneus, fibula, tibia d. Talus, calcaneus, os naviculare
b. Talus, fibula, tibia (dit is OSG)
c. Talus, calcaneus, tibia
7. Welke bewering, m.b.t. pronatie (eversie), is juist?
a. Dit is een beweging in de enkel waarbij de binnenrand van de voet omhoog komt.
b. Dit is een beweging in de enkel waarbij de buitenrand van de voet omhoog komt.
c. Deze beweging wordt bewerkstelligd door de m. tibialis anterior.
d. Deze beweging wordt bewerkstelligd door de m. tibialis posterior.
8. Welke bewering is juist?
a. De processus xiphoïdeus is een onderdeel van de scapula.
b. Het olecranon is een onderdeel van de ulna.
c. De trochanter minor ligt aan de ventrale zijde van het femur.
d. De tarsus bestaat uit 8 botjes.
9. Welke bewering, m.b.t. de rotatie in de knie, is juist?
a. Rotatie in de knie vindt plaats om een sagittale bewegingsas.
b. Endorotatie van het onderbeen kan door de m. biceps femoris worden bewerkstelligd.
c. Exorotatie van het onderbeen kan door de m. sartorius worden bewerkstelligd.
d. Rotatie van het onderbeen is niet mogelijk met een gestrekte knie.
, 10. Noem een spier die vastzit aan het lig. patellae?
a. M. soleus c. M. tibialis posterior
b. M. peroneus (fibularis) longus d. M. quadriceps femoris
11. Wanneer het niet lukt om (met gestrekte benen) de grond aan te tikken, zou er sprake
kunnen zijn van…..
a. Actieve insufficiëntie van de m. quadriceps femoris.
b. Passieve insufficiëntie van de m. quadriceps femoris.
c. Actieve insufficiëntie van de m. biceps femoris.
d. Passieve insufficiëntie van de biceps femoris.
12. Welke botten horen tot de origo en insertie van de ischiocrurale spieren?
a. Schaambeen, dijbeen en scheenbeen.
b. Darmbeen, scheenbeen en patella.
c. Zitbeen, scheenbeen, kuitbeen.
d. Dijbeen, kuitbeen en calcaneus.
13. Waar bevindt zich de tuberositas tibiae?
a. Ventraal van de patella. c. Proximaal van de patella.
b. Dorsaal van de patella. d. Distaal van de patella.
14. Welke bewering m.b.t. het art. talotarsalis is juist?
a. Dit gewricht heeft een bewegingsas die o.a. loopt van mediaal-ventraal naar lateraal-
dorsaal.
b. De m. tibialis anterior loopt met z’n werklijn lateraal van de as in dit gewricht.
c. De bewegingsmogelijkheden in dit gewricht zijn plantair flexie en dorsaal flexie.
d. Geen enkele bewering is juist.
15. Waar vindt je een membrana interossea?
a. Tussen spaakbeen en ellepijp.
b. Tussen beide schaambeenbotten.
c. Tussen hielbeen en sprongbeen.
d. Tussen de handwortelbotjes.
16. Uit wat voor een weefsel bestaat een membrana interossea?
a. Botweefsel c. Bindweefsel
b. Kraakbeenweefsel d. Epitheelweefsel
17. Welke functie heeft het pars acromialis van de m. deltoïdeus om de sagittale bewegingsas in
het schoudergewricht?
a. Abductie. c. Exorotatie.
b. Adductie. d. Endorotatie.
18. Welke functie heeft de m. latissimus dorsi om de longitudinale bewegingsas in het
schoudergewricht?
a. Abductie. c. Exorotatie.
b. Adductie. d. Endorotatie.