- Je bent gezond als je je lichamelijk, geestelijk en sociaal goed voelt.
- Wat je kunt doen om gezond te blijven; veel bewegen/ evenwichtig eten/ zorgen voor voldoende nachtrust.
- Geneesmiddel= Geneest, verzacht de pijn of voorkomt een ziekte.
- Meeste medicijnen kun je alleen met recept van huisarts/ specialist bij apotheek halen, waar bekend is wat je evt. al gebruikt
en of je allergisch bent voor bepaalde stoffen; apotheker weet dus precies of nieuwe medicijn bijwerkingen voor jou heeft.
- Vormen waarin geneesmiddelen worden aangeboden; tablet, drankje, zetpil, capsule, injectie, infuus.
- Wat er in bijsluiter moet staan;
1: Samenstelling geneesmiddel + waar het voor dient
2: Wanneer je medicijn niet mag gebruiken
3: Dosering bij volwassenen en evt. bij kinderen
4: Werking + evt. bijwerkingen
5: Evt. wisselwerking met andere middelen
6: Waarschuwingen over gebruik bij zwangerschap/ invloed op rijvaardigheid.
- Met die informatie kunnen artsen+apothekers evt. in overleg met patiënt voor- en nadelen geneesmiddel tegen elkaar
afwegen.
- Naast bijsluiter moet je ook altijd goed op etiket letten, op etiket staat;
1: Je naam+adres
2: Naam geneesmiddel
3: Voorgeschreven dosering
4: Hoe+wanneer je middel moet gebruiken
5: Houdbaarheid
- Bijwerkingen= Als nieuwe klacht ontstaat van geneesmiddel.
- Gewenning= Dat je steeds meer van geneesmiddel nodig hebt voor zelfde effect.
- Verslaving= Dat je, vooral geestelijk afhankelijk bent geworden van geneesmiddel.
- Wat kan gebeuren als je verschillende geneesmiddelen tegelijk gebruikt; 1) Kunnen elkaars werking versterken of juist
verzwakken. 2) Kan nieuwe bijwerking ontstaan. *Je moet dus altijd zorgen dat dokter weet welke geneesmiddelen je
gebruikt, ook als geneesmiddelen zijn die je bij drogist hebt gehaald.
- Placebo= Nep medicijn
- Placebo-effect= Placebo heeft soms licht genezende
werking.
- Antibiotica= Groep medicijnen die allerlei bacteriële infecties genezen; antibiotica doden bacteriën/ remmen hun
vermenigvuldiging. Antibiotica helpen alleen bij bacteriële infecties, niet bij virusinfecties, zoals
griep/verkoudheid/waterpokken.
- Meeste antibiotica werken op celmembraan (=soort vlies dat levend materiaal+alle stoffen in bacterie bij elkaar houdt)
bacterie.
- Verschillende soorten antibiotica, bijv.; penicillines/tetracyclines/macroliden. Ze werken tegen verschillende soorten
bacteriën. die verschillende aandoeningen veroorzaken.
- Je moet verstandig met antibioticum omgaan; op juiste tijdstippen innemen+kuur afmaken, ook al voel je je niet meer ziek.
- Antibiotica worden toegediend in vorm tabletten, injecties, capsules, drankje, infuus.
- Grootste gevaar antibiotica= resistentie; antibioticum doodt bacteriën dan niet meer.
- Als je eerder stopt met antibioticum, kunnen sterke bacteriën overblijven deze kunnen resistentie ontwikkelen tegen
antibiotica.
- Men is in antibiotica onderzoek voortdurend bezig nieuwe stoffen te vinden die bewuste bacteriën wel kunnen uitschakelen.
- Wat je kunt doen om gezond te blijven; veel bewegen/ evenwichtig eten/ zorgen voor voldoende nachtrust.
- Geneesmiddel= Geneest, verzacht de pijn of voorkomt een ziekte.
- Meeste medicijnen kun je alleen met recept van huisarts/ specialist bij apotheek halen, waar bekend is wat je evt. al gebruikt
en of je allergisch bent voor bepaalde stoffen; apotheker weet dus precies of nieuwe medicijn bijwerkingen voor jou heeft.
- Vormen waarin geneesmiddelen worden aangeboden; tablet, drankje, zetpil, capsule, injectie, infuus.
- Wat er in bijsluiter moet staan;
1: Samenstelling geneesmiddel + waar het voor dient
2: Wanneer je medicijn niet mag gebruiken
3: Dosering bij volwassenen en evt. bij kinderen
4: Werking + evt. bijwerkingen
5: Evt. wisselwerking met andere middelen
6: Waarschuwingen over gebruik bij zwangerschap/ invloed op rijvaardigheid.
- Met die informatie kunnen artsen+apothekers evt. in overleg met patiënt voor- en nadelen geneesmiddel tegen elkaar
afwegen.
- Naast bijsluiter moet je ook altijd goed op etiket letten, op etiket staat;
1: Je naam+adres
2: Naam geneesmiddel
3: Voorgeschreven dosering
4: Hoe+wanneer je middel moet gebruiken
5: Houdbaarheid
- Bijwerkingen= Als nieuwe klacht ontstaat van geneesmiddel.
- Gewenning= Dat je steeds meer van geneesmiddel nodig hebt voor zelfde effect.
- Verslaving= Dat je, vooral geestelijk afhankelijk bent geworden van geneesmiddel.
- Wat kan gebeuren als je verschillende geneesmiddelen tegelijk gebruikt; 1) Kunnen elkaars werking versterken of juist
verzwakken. 2) Kan nieuwe bijwerking ontstaan. *Je moet dus altijd zorgen dat dokter weet welke geneesmiddelen je
gebruikt, ook als geneesmiddelen zijn die je bij drogist hebt gehaald.
- Placebo= Nep medicijn
- Placebo-effect= Placebo heeft soms licht genezende
werking.
- Antibiotica= Groep medicijnen die allerlei bacteriële infecties genezen; antibiotica doden bacteriën/ remmen hun
vermenigvuldiging. Antibiotica helpen alleen bij bacteriële infecties, niet bij virusinfecties, zoals
griep/verkoudheid/waterpokken.
- Meeste antibiotica werken op celmembraan (=soort vlies dat levend materiaal+alle stoffen in bacterie bij elkaar houdt)
bacterie.
- Verschillende soorten antibiotica, bijv.; penicillines/tetracyclines/macroliden. Ze werken tegen verschillende soorten
bacteriën. die verschillende aandoeningen veroorzaken.
- Je moet verstandig met antibioticum omgaan; op juiste tijdstippen innemen+kuur afmaken, ook al voel je je niet meer ziek.
- Antibiotica worden toegediend in vorm tabletten, injecties, capsules, drankje, infuus.
- Grootste gevaar antibiotica= resistentie; antibioticum doodt bacteriën dan niet meer.
- Als je eerder stopt met antibioticum, kunnen sterke bacteriën overblijven deze kunnen resistentie ontwikkelen tegen
antibiotica.
- Men is in antibiotica onderzoek voortdurend bezig nieuwe stoffen te vinden die bewuste bacteriën wel kunnen uitschakelen.