Inhoud
Inhoud ..................................................................................................................................................... 1
Week 1..................................................................................................................................................... 2
HC 1A (7/2) .......................................................................................................................................... 2
HC 1B (9/2) ........................................................................................................................................ 15
Week 2................................................................................................................................................... 35
HC 2A (14/2) ...................................................................................................................................... 35
HC 2B (16/2) ...................................................................................................................................... 49
Week 3................................................................................................................................................... 69
HC 3A (21/2) ...................................................................................................................................... 69
HC 3B (23/2) ...................................................................................................................................... 85
Week 4................................................................................................................................................... 99
HC 4A (28/2) ...................................................................................................................................... 99
HC 4B (2/3) ...................................................................................................................................... 111
Week 5................................................................................................................................................. 125
HC 5 (9/3) ........................................................................................................................................ 125
Week 6................................................................................................................................................. 143
HC 6 (16/3) ...................................................................................................................................... 143
Week 7................................................................................................................................................. 152
HC 7 (23/3) ...................................................................................................................................... 152
1
,Week 1
HC 1A (7/2)
Belangrijke zaken rondom het vak
We krijgen een brede inleiding van de neuropsychologie. Er komen veel verschillende onderwerpen
aan bod. De opzet is breed. Aan het einde van het vak weet je over heel veel onderwerpen wat.
Verdeling WG en HC: week 1-4 twee HC een WG. Week 1-5 een HC twee WG.
Vak begint met ingewikkelde fundamentelere stof, zoals anatomie, werking hersenen. Later in het
vak komen stoornissen en thema’s aan bod die van belang zijn voor pedagogen.
Fundamentele stof komt eerst voor, dat is handiger via HC.
Weekthema’s zijn breed opgezet. De opdrachten in de werkgroepen kunnen wat losser van elkaar
staan.
Werkgroep opdrachten: grote vragen en thema’s staan centraal. De weg naar het antwoord toe is
belangrijker dan het antwoord. Google zelf, ga zelf zoeken naar relevante literatuur.
Bij veel werkgroep opdrachten horen literatuur artikelen. Dit is een handreiking die je kán gebruiken,
maar niet hoeft te gebruiken. Behalve Vandierendonck is wel verplichte literatuur.
De kern/essentie van de opdrachten is erg belangrijk.
De hoorcolleges: eerste paar weken fundamentele stof. Hoorcolleges vormen de leidraad. Stof uit HC
geeft aan wat belangrijk is. Over verplichte literatuur wat niet behandeld is, kan WEL wat worden
gevraagd. Maar over het algemeen zijn de hoorcolleges echt leidraad.
PeerWise: online platform waarbij studenten zelf toetsvragen kunnen uploaden, daarbij kan je
samen discussiëren met studenten.
Je mag maximaal twee werkgroepen missen.
Veel mensen halen het vak.
Er komt in dit vak veel neuro wetenschappelijk jargon voor.
Afgelopen 2 jaar is het vak stabiel, nauwelijks aangepast. 7e editie boek is goed, 6e editie niet meer.
2
,Minuut 27:00
Het zenuwstelsel (ZS)
- De organisatie van het zenuwstelsel (dit HC)
- Structuur van de hersenen (neuroanatomie)→ hoe ziet het eruit? Welke structuren?
- Functioneren van hersenen (neurofysiologie, neurochemie)→ hoe werkt het?
Minuut 28:40
Organisatie zenuwstelsel:
Zenuwstelsel kan je opdelen in centrale zenuwstelsel en perifere zenuwstelsel.
Centrale ZS:
- Omsloten door bot.
- Bestaat uit hersenen, omsloten door schedel.
- Bestaat uit ruggenmerg (spinal cord). Deze wordt omsloten door de wervelkolom (spinal
colom).
Perifere ZS:
- Niet omsloten door bot. Ligt buiten de botten.
- Daar waar zenuwen buiten de botten treden.
- Dit kan je opsplitsen in autonome perifere zenuwstelsel en somatische perifere zenuwstelsel.
3
, Verschil tussen autonome ZS en somatische ZS:
Autonome zenuwstelsel:
- Onwillekeurig/onbewust. Dit gaat buiten de wil om.
- Verloopt automatisch. Hier heb je minder/geen controle over.
- Dit bestuurt de klieren en de gladde spieren van onze organen (zoals hart en darmen).
- Stuurt onze essentiële vitale lichaamsfuncties aan (zoals hartslag, bloeddruk, ademhaling,
stofwisseling, energiehuishouding, slaap-waakritmes, lichaamstemperatuur, zweten, maag-
darmfuncties, speekselfuncties, etc.).
Somatische zenuwstelsel:
- Willekeurig, niet automatisch. Hier heb je wel controle over. Ben je je bewust van.
Minuut 32:30
Deze 3 functies worden aangestuurd door autonome zenuwstelsel van het perifere ZS.
Spijsvertering → verteren van voedsel tot bruikbare opneembare bouwstenen waar het lichaam iets
aan heeft. Zoals koolhydraten en eiwitten. Waar het lichaam niets aan heeft wordt ervan gescheiden.
Stofwisseling/metabolisme → Het geheel aan biochemische processen dat in al onze cellen
plaatsvindt, waarbij 24/7 bruikbare voedingsstoffen worden bewerkt en worden omgevormd.
Metabolisme gaat onder invloed van vitaminen, hormonen, enzymen, etc.
Voortdurend bewerken en omvormen van voedingsstoffen.
Verbranding → m.b.v. zuurstof worden voedingsstoffen omgezet in energie. Alle cellen hebben
energie nodig om te functioneren. Er is energie nodig voor fysieke actie, mentale inspanning, vitale
functies, maken en transporteren van stoffen, etc.
4