Hoofdstuk 1 staatsrecht
Kenmerken staat
- Grondgebied (territorium): gebied met grenzen
- Gemeenschap: gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun afstamming of die
op eigen verzoek de nationaliteit van de staat hebben verkregen
- Gezag (overheid): exclusieve zeggenschap op en over zijn gehele grondgebied. Het hoogste
gezag mag alleen geweld gebruiken = geweldsmonopolie
- Erkenning van een staat door andere staten
Soeverein: zelfstandige en ondeelbare eenheid
Rechtspersoon: de staat is zelfstandig drager van rechten en plichten
Algemeen belang: datgene wat in het belang is van de meeste burgers en van de staat als geheel
Rijkswetten: wetten die van toepassing zijn in het gehele Koninkrijk
Bronnen staatsrecht
- Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden : regelt organisatie van het Koninkrijk en de
onderlinge verhoudingen en samenwerking tussen Nederland en de overzeese delen van het
Koninkrijk.
- Grondwet: regelt inrichting van het functioneren van de Nederlandse staat en de
staatsorganen en de verdeling van de staatsmacht.
- Organieke wet = als de grondwet bepaalt dat iets (nader) geregeld moet worden in een wet
in formele zin
- Gewoonterecht
- Verdragen en Europese maatregelen
- Jurisprudentie = rechtersrecht
Hoofdstuk 3
Historische ontwikkeling
- Statenbond = confederatie: elke provincie eigen bestuur, met aan het hoofd een stadhouder
en eigen wetgeving
- Algemene vergadering = staten generaal: bestaat uit afgevaardigden van de 7 provinciën.
Elke afgevaardigde bezat een mandaat of last (= opdracht) van zijn provincie
Eenheidsstaat: concentratie van de staatsmacht bij een centraal gezag dat de eenheid van de staat
bewaakt die uit onzelfstandige delen bestaat
Gedecentraliseerde eenheidsstaat = de centrale overheid heeft een deel van haar regelgevende en
bestuurlijke taken en bevoegdheden overgedragen aan lagere overheden
Nachtwakersstaat = staat moet alleen zorgen voor veiligheid, rust en orde
Sociale verzorgingsstaat = taak van de overheid om zodanig in te grijpen in het sociaaleconomische
leven, dat voor alle burgers een menswaardig bestaan is gegarandeerd
, Democratische rechtsstaat: burgers hebben invloed op de overheid en de overheid is ook aan regels
gebonden. kenmerken:
- Legaliteitsbeginsel: de overheid mag slechts optreden op grond van algemene regels die
democratisch tot stand zijn gekomen
- Verdeling van de overheidsmacht
- Onafhankelijke rechtspraak
- Burgers hebben fundamentele rechten die de overheid moet eerbiedigen
Trias politica (machtenscheiding): uitvoerende macht, wetgevende macht en rechtsprekende macht
Checks and balances = machtsevenwicht door verdeling van en controle op staatstaken
Constitutionele monarchie = een koninkrijk dat is vastgelegd in een staatsregeling
Koning
- Staatshoofd van Nederland en Koninkrijk der Nederlanden drager van Kroon der
Nederlanden
- Vormt samen met de ministers de regering = de Kroon
- Koning is onschendbaar; ministers zijn verantwoordelijk
Regent = iemand die door de wetgever tijdelijk kan worden aangesteld om het koninklijk gezag uit te
oefenen
Troonrede: dit leest de koning elk jaar op de derde dinsdag van september voor. Hierin wordt het
beleid van de regering uiteengezet.
Hoofdstuk 4
Formele wetgever = Koning en Staten-Generaal
Contraseign = medeondertekening door een minister
Inlichtingenplicht = ministers en staatssecretarissen moeten aan de kamers elk afzonderlijk in de
verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen
geven
Ontbindingsregel: bij een onoverbrugbaar conflict, waardoor de regering het vertrouwen in het
parlement heeft verloren, kan de regering de Eerste en/of Tweede Kamer ontbinden en nieuwe
verkiezingen uitschrijven
Vertrouwensregel (ongeschreven recht) = een minister, een staatssecretaris of een heel kabinet
behoort zijn ontslag aan te bieden als een van de Kamers het vertrouwen in hem/hen verliest
Moties
- Motie van wantrouwen: de mededeling van een meerderheid van de Kamer dat men
ernstige kritiek heeft op het gevoerde beleid van 1 of meer ministers of staatssecretarissen.
Als de motie wordt aangenomen moet de minister of staatssecretaris zelf vertrekken.
- Motie van treurnis: als een bepaalde gang van zaken of een bepaalde opstelling van een
bewindspersoon wordt betreurd
- Motie van afkeuring
Kenmerken staat
- Grondgebied (territorium): gebied met grenzen
- Gemeenschap: gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun afstamming of die
op eigen verzoek de nationaliteit van de staat hebben verkregen
- Gezag (overheid): exclusieve zeggenschap op en over zijn gehele grondgebied. Het hoogste
gezag mag alleen geweld gebruiken = geweldsmonopolie
- Erkenning van een staat door andere staten
Soeverein: zelfstandige en ondeelbare eenheid
Rechtspersoon: de staat is zelfstandig drager van rechten en plichten
Algemeen belang: datgene wat in het belang is van de meeste burgers en van de staat als geheel
Rijkswetten: wetten die van toepassing zijn in het gehele Koninkrijk
Bronnen staatsrecht
- Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden : regelt organisatie van het Koninkrijk en de
onderlinge verhoudingen en samenwerking tussen Nederland en de overzeese delen van het
Koninkrijk.
- Grondwet: regelt inrichting van het functioneren van de Nederlandse staat en de
staatsorganen en de verdeling van de staatsmacht.
- Organieke wet = als de grondwet bepaalt dat iets (nader) geregeld moet worden in een wet
in formele zin
- Gewoonterecht
- Verdragen en Europese maatregelen
- Jurisprudentie = rechtersrecht
Hoofdstuk 3
Historische ontwikkeling
- Statenbond = confederatie: elke provincie eigen bestuur, met aan het hoofd een stadhouder
en eigen wetgeving
- Algemene vergadering = staten generaal: bestaat uit afgevaardigden van de 7 provinciën.
Elke afgevaardigde bezat een mandaat of last (= opdracht) van zijn provincie
Eenheidsstaat: concentratie van de staatsmacht bij een centraal gezag dat de eenheid van de staat
bewaakt die uit onzelfstandige delen bestaat
Gedecentraliseerde eenheidsstaat = de centrale overheid heeft een deel van haar regelgevende en
bestuurlijke taken en bevoegdheden overgedragen aan lagere overheden
Nachtwakersstaat = staat moet alleen zorgen voor veiligheid, rust en orde
Sociale verzorgingsstaat = taak van de overheid om zodanig in te grijpen in het sociaaleconomische
leven, dat voor alle burgers een menswaardig bestaan is gegarandeerd
, Democratische rechtsstaat: burgers hebben invloed op de overheid en de overheid is ook aan regels
gebonden. kenmerken:
- Legaliteitsbeginsel: de overheid mag slechts optreden op grond van algemene regels die
democratisch tot stand zijn gekomen
- Verdeling van de overheidsmacht
- Onafhankelijke rechtspraak
- Burgers hebben fundamentele rechten die de overheid moet eerbiedigen
Trias politica (machtenscheiding): uitvoerende macht, wetgevende macht en rechtsprekende macht
Checks and balances = machtsevenwicht door verdeling van en controle op staatstaken
Constitutionele monarchie = een koninkrijk dat is vastgelegd in een staatsregeling
Koning
- Staatshoofd van Nederland en Koninkrijk der Nederlanden drager van Kroon der
Nederlanden
- Vormt samen met de ministers de regering = de Kroon
- Koning is onschendbaar; ministers zijn verantwoordelijk
Regent = iemand die door de wetgever tijdelijk kan worden aangesteld om het koninklijk gezag uit te
oefenen
Troonrede: dit leest de koning elk jaar op de derde dinsdag van september voor. Hierin wordt het
beleid van de regering uiteengezet.
Hoofdstuk 4
Formele wetgever = Koning en Staten-Generaal
Contraseign = medeondertekening door een minister
Inlichtingenplicht = ministers en staatssecretarissen moeten aan de kamers elk afzonderlijk in de
verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen
geven
Ontbindingsregel: bij een onoverbrugbaar conflict, waardoor de regering het vertrouwen in het
parlement heeft verloren, kan de regering de Eerste en/of Tweede Kamer ontbinden en nieuwe
verkiezingen uitschrijven
Vertrouwensregel (ongeschreven recht) = een minister, een staatssecretaris of een heel kabinet
behoort zijn ontslag aan te bieden als een van de Kamers het vertrouwen in hem/hen verliest
Moties
- Motie van wantrouwen: de mededeling van een meerderheid van de Kamer dat men
ernstige kritiek heeft op het gevoerde beleid van 1 of meer ministers of staatssecretarissen.
Als de motie wordt aangenomen moet de minister of staatssecretaris zelf vertrekken.
- Motie van treurnis: als een bepaalde gang van zaken of een bepaalde opstelling van een
bewindspersoon wordt betreurd
- Motie van afkeuring