H11: integument
A) algemene bouw en functie
1) functie
- integument = huid: vormt afscheiding tussen het lichaam en het uitwendig oppervlak
→ biedt bescherming
→ maakt opname van water en gasuitwisseling mogelijk
→ zorgt voor thermoregulatie
→ is een tastorgaan
→ geeft veel secreties (beschermend, communicatief, voedend, excretorisch,
thermoregulerend, verdedigend gif)
→ vormt de plaats van vitamine D productie
→ heeft een kleur ( waarschuwing, camouflage, communicatie)
→ structuren erop kunnen verdediging bieden of locomotorische functie geven
→ is een ecosysteem voor micro-organismen
2) opbouw
● cutis = vel
- epidermis = opperhuid:
→ opgebouwd uit meerlagig verhoornd plavei-epitheel
→ stratum basale = stratum germinativum (onderste laag): vullen door
voortdurende deling de hoger gelegen cellagen aan, hoe dichter ze zich bij
het oppervlak bevinden gaan hoe meer ze gaan afvlakken, keratine vormen
en afsterven
→ stratum corneum (oppervlakkige laag): laag verhoornde, dode cellen
→ desquamatie = dode cellen die vervolgens gaan afslijten
→ een deel cellen gaat niet verhoornen maar 1- tot meercellige klieren
vormen
, → er zitten melanocyten (pigment producerende cellen → melanine): afgeleid
van de neurale kamcellen
- dermis = lederhuid
→ ontbreekt bij ongewervelden
→ opgebouwd uit collageen bindweefsel → densiteit is het laagst net onder de
epidermis (hoe dieper, hoe denser)
→ rijk aan capillaire bloed- en lymfevaten
→ er komen chromatoforen voor (enkel bij ectothermen: niet zoogdieren en
vogels): kleurdragende cellen
→ melanoforen (zwart/ bruin)
→ xanthoforen (geel)
→ erythroforen (rood)
→ iridoforen (glanzend/ reflecterend) → uit purines
● hypodermis = tela subcutanea = onderhuid: tussen huid en onderliggende spieren/
bot
→ daar zit onderhuids bindweefsel → beweeglijkheid van de huid
→ panniculus adiposus = verdikt vetweefsel (bv rug en buik varken)
3) interactie tussen dermis en epidermis
- epidermis levert gekeratiniseerde componenten (schubben, veren, haren)
- dermis biedt ondersteuning en er kunnen osteodermen (=dermale beenderen)
ontstaan uit het bindweefsel
→ pantser krokodil
→ schild schildpad
→ desmocranium (platte schedelbeenderen) vertebraten
, B) integument bij de verschillende vertebraten
1) vissen
● epidermis
- er komen muceuze klieren in voor
- slijmerige mucus vormt de cuticula → maakt oppervlak glas en
ondoordringbaar
→ helpt in de osmoregulatie en beschermt tegen bacterien
- bij meervallen en karperachtigen:
→ granulaire klieren monden niet uit aan het oppervlak (geen inhoud vrij als
de huid beschadigd wordt) → met feromonen
- sommige diepzeevissen bevatten fotoforen (lichtgevende organen)
● dermis
- bevat harde beenderige schubben
- bij kraakbeenvissen:placoide cellen:
→ schubben hebben pulpaholte omgeven door dentine en bedekt met email,
hebben geen beenderige kern
→ vergelijkbaar met tanden
- bij beenvissen met zachte vinstralen: cycloide cellen
→ schubben met beenplaten (doorweven met collageenvezels → uit
bindweefsel)
→ hun schubben hebben grote flexibiliteit
→ gekenmerkt door groeiringen
- bij beenvissen met harde vinstralen: ctenoide schubben
→ vrije oppervlak van de schub is voorzien van tandjes
A) algemene bouw en functie
1) functie
- integument = huid: vormt afscheiding tussen het lichaam en het uitwendig oppervlak
→ biedt bescherming
→ maakt opname van water en gasuitwisseling mogelijk
→ zorgt voor thermoregulatie
→ is een tastorgaan
→ geeft veel secreties (beschermend, communicatief, voedend, excretorisch,
thermoregulerend, verdedigend gif)
→ vormt de plaats van vitamine D productie
→ heeft een kleur ( waarschuwing, camouflage, communicatie)
→ structuren erop kunnen verdediging bieden of locomotorische functie geven
→ is een ecosysteem voor micro-organismen
2) opbouw
● cutis = vel
- epidermis = opperhuid:
→ opgebouwd uit meerlagig verhoornd plavei-epitheel
→ stratum basale = stratum germinativum (onderste laag): vullen door
voortdurende deling de hoger gelegen cellagen aan, hoe dichter ze zich bij
het oppervlak bevinden gaan hoe meer ze gaan afvlakken, keratine vormen
en afsterven
→ stratum corneum (oppervlakkige laag): laag verhoornde, dode cellen
→ desquamatie = dode cellen die vervolgens gaan afslijten
→ een deel cellen gaat niet verhoornen maar 1- tot meercellige klieren
vormen
, → er zitten melanocyten (pigment producerende cellen → melanine): afgeleid
van de neurale kamcellen
- dermis = lederhuid
→ ontbreekt bij ongewervelden
→ opgebouwd uit collageen bindweefsel → densiteit is het laagst net onder de
epidermis (hoe dieper, hoe denser)
→ rijk aan capillaire bloed- en lymfevaten
→ er komen chromatoforen voor (enkel bij ectothermen: niet zoogdieren en
vogels): kleurdragende cellen
→ melanoforen (zwart/ bruin)
→ xanthoforen (geel)
→ erythroforen (rood)
→ iridoforen (glanzend/ reflecterend) → uit purines
● hypodermis = tela subcutanea = onderhuid: tussen huid en onderliggende spieren/
bot
→ daar zit onderhuids bindweefsel → beweeglijkheid van de huid
→ panniculus adiposus = verdikt vetweefsel (bv rug en buik varken)
3) interactie tussen dermis en epidermis
- epidermis levert gekeratiniseerde componenten (schubben, veren, haren)
- dermis biedt ondersteuning en er kunnen osteodermen (=dermale beenderen)
ontstaan uit het bindweefsel
→ pantser krokodil
→ schild schildpad
→ desmocranium (platte schedelbeenderen) vertebraten
, B) integument bij de verschillende vertebraten
1) vissen
● epidermis
- er komen muceuze klieren in voor
- slijmerige mucus vormt de cuticula → maakt oppervlak glas en
ondoordringbaar
→ helpt in de osmoregulatie en beschermt tegen bacterien
- bij meervallen en karperachtigen:
→ granulaire klieren monden niet uit aan het oppervlak (geen inhoud vrij als
de huid beschadigd wordt) → met feromonen
- sommige diepzeevissen bevatten fotoforen (lichtgevende organen)
● dermis
- bevat harde beenderige schubben
- bij kraakbeenvissen:placoide cellen:
→ schubben hebben pulpaholte omgeven door dentine en bedekt met email,
hebben geen beenderige kern
→ vergelijkbaar met tanden
- bij beenvissen met zachte vinstralen: cycloide cellen
→ schubben met beenplaten (doorweven met collageenvezels → uit
bindweefsel)
→ hun schubben hebben grote flexibiliteit
→ gekenmerkt door groeiringen
- bij beenvissen met harde vinstralen: ctenoide schubben
→ vrije oppervlak van de schub is voorzien van tandjes