H13: ademhaling
A) kieuwademhaling bij vissen en amfibieën
1) algemene basis
- bij vissen en amfibieën: kieuwen liggen binnen de contouren
- bij sommige adulte amfibieën (axolotl):
→ kieuwen hebben geen relatie met de kieuwbogen en staan los van
faryngeaal skelet
- de wand van de farynx kent 6+ faryngeale zakjes → als die contact maken met
lichaamsoppervlak en doorbreken: kieuwspleten
→ water komt binnen langs mond en stroomt langs daar terug buiten
- kieuwbogen: weefsel bruggen tussen de opeenvolgende kieuwspleten
→ worden ondersteund door kieuwstralen
- bij prikken: uitwendige opening van een kieuwzak is een porus
- bij de Gnathostomata: kieuwzak vormt zich om tot een kieuwloze structuur ⇒
spiraculum (haaien en roggen hebben het net achter het oog als extra
instroomopening)
→ aan craniale kant heeft het een weefselplooi om het spiraculum te
kunnen afsluiten
⇒ homologe structuur aan middenoor bij Tetrapoda
- bij kraakbeenvissen: duidelijke kieuwspleten die afgelijnd worden door
interbranchiale septa
- bij beenvissen: kieuwen worden uitwendig bedekt door het operculum (kieuwdeksel)
2) kieuwen bij
de beenvissen
- er zijn langs beide kanten 4
arcus branchiales
(kieuwbogen) → ze
lijnen 5 kieuwspleten af
→ 1ste
kieuwspleet: tussen
, operculum en 1ste kieuwboog
→ laatste kieuwspleet: tussen 4de kieuwboog en cleithrum (ondersteunend
element van de schoudergordel)
- kieuw stralen ondersteunen de kieuwbogen (kraakbenig → verbenen bij volwassen
beenvissen)
- de vrije uiteinden van de kieuwfilamenten drijven in de kieuwkamer
- de vrije uiteinden van de kieuwlamellen van opeenvolgende filamenten interdigiteren
→ ze vormen fijne filter waardoor water moet passeren
→ daar vindt de gasuitwisseling plaats tussen het waterig milieu en het
bloed
→ de bloedstroom in lamellen is tegenovergestelde van de waterstroom ⇒
countercurrent exchange
- in iedere kieuwboog klimt een afferente kieuwboogarterie die splitst in:
→ teruglopende tak
→ gelijklopende tak: loopt verder in de kieuwboog
- vanuit deze takken vertrekken afferente filament arteriën (langs septale zijde van
kieuwfilament tot in de top)
→ daaruit vertrekken afferente lamel arteriolen (bevloeien 3-4
kieuwlamellen)
→ de bladhoudende ruimte is een wijde sinus (daarin monden de afferente
arteriole uit) → wordt ingedeeld in pilaar cellen
- de afferente lopen over in efferente lamel arteriolen die uitloopt in een efferente
kieuwarterie die de kieuwboog verlaat
- uit de efferente filament arteriën vertrekken interlamellaire arteriën voor de
nutritionele bevloeiing van het kieuwweefsel → dat bloed gaat direct naar het hart
A) kieuwademhaling bij vissen en amfibieën
1) algemene basis
- bij vissen en amfibieën: kieuwen liggen binnen de contouren
- bij sommige adulte amfibieën (axolotl):
→ kieuwen hebben geen relatie met de kieuwbogen en staan los van
faryngeaal skelet
- de wand van de farynx kent 6+ faryngeale zakjes → als die contact maken met
lichaamsoppervlak en doorbreken: kieuwspleten
→ water komt binnen langs mond en stroomt langs daar terug buiten
- kieuwbogen: weefsel bruggen tussen de opeenvolgende kieuwspleten
→ worden ondersteund door kieuwstralen
- bij prikken: uitwendige opening van een kieuwzak is een porus
- bij de Gnathostomata: kieuwzak vormt zich om tot een kieuwloze structuur ⇒
spiraculum (haaien en roggen hebben het net achter het oog als extra
instroomopening)
→ aan craniale kant heeft het een weefselplooi om het spiraculum te
kunnen afsluiten
⇒ homologe structuur aan middenoor bij Tetrapoda
- bij kraakbeenvissen: duidelijke kieuwspleten die afgelijnd worden door
interbranchiale septa
- bij beenvissen: kieuwen worden uitwendig bedekt door het operculum (kieuwdeksel)
2) kieuwen bij
de beenvissen
- er zijn langs beide kanten 4
arcus branchiales
(kieuwbogen) → ze
lijnen 5 kieuwspleten af
→ 1ste
kieuwspleet: tussen
, operculum en 1ste kieuwboog
→ laatste kieuwspleet: tussen 4de kieuwboog en cleithrum (ondersteunend
element van de schoudergordel)
- kieuw stralen ondersteunen de kieuwbogen (kraakbenig → verbenen bij volwassen
beenvissen)
- de vrije uiteinden van de kieuwfilamenten drijven in de kieuwkamer
- de vrije uiteinden van de kieuwlamellen van opeenvolgende filamenten interdigiteren
→ ze vormen fijne filter waardoor water moet passeren
→ daar vindt de gasuitwisseling plaats tussen het waterig milieu en het
bloed
→ de bloedstroom in lamellen is tegenovergestelde van de waterstroom ⇒
countercurrent exchange
- in iedere kieuwboog klimt een afferente kieuwboogarterie die splitst in:
→ teruglopende tak
→ gelijklopende tak: loopt verder in de kieuwboog
- vanuit deze takken vertrekken afferente filament arteriën (langs septale zijde van
kieuwfilament tot in de top)
→ daaruit vertrekken afferente lamel arteriolen (bevloeien 3-4
kieuwlamellen)
→ de bladhoudende ruimte is een wijde sinus (daarin monden de afferente
arteriole uit) → wordt ingedeeld in pilaar cellen
- de afferente lopen over in efferente lamel arteriolen die uitloopt in een efferente
kieuwarterie die de kieuwboog verlaat
- uit de efferente filament arteriën vertrekken interlamellaire arteriën voor de
nutritionele bevloeiing van het kieuwweefsel → dat bloed gaat direct naar het hart