Samenvattingen Biologie Examen
2022
Gemengde en theoretische leerweg
Cellen staan aan de basis
Planten en dieren en hun samenhang
Het lichaam in stand houden
Reageren op prikkels
Van generatie op generatie
Planten en Stofwisseling
Erfelijkheid
Gedrag
Bescherming
,K4 Cellen aan de basis
Celkenmerken
We delen de organismen in groepen in. Dit doen we op basis van hun cel eigenschappen. Dus hoe
hun cellen eruit zien.
Rijk Kenmerken
1. Bacterie Celwand en celmembraan
Cytoplasma
Geen celkern (DNA los in de cel)
Geen bladgroenkorrels
2. Dier Celkern
Cytoplasma
Geen celwand, wel een celmembraan
3. Plant Celwand en celmembraan
Cytoplasma
Celkern
Bladgroenkorrels
vacuole
4. Schimmel Celwand en celmembraan
Cytoplasma
Celkern
Geen bladgroenkorrels
Vacuole
Bacteriën zijn het kleinst. Daarna zijn de schimmel, planten en dierencellen allemaal ongeveer even
groot.
Functies celorganellen
Celwand: doosje rondom de cel. Geeft stevigheid en bescherming
Vacuole: ruimte die gevuld is met vocht en opgeloste stoffen (voeding), zorgt voor stevigheid
Celkern: hier wordt al het erfelijk materiaal bewaard. Het is alle informatie die de cel nodig heeft
Cytoplasma: water met daarin opgeloste stoffen en onder andere bladgroenkorrels bij planten
Celmembraan: Dun vliesje die om de cel heen ligt. Om het cytoplasma
Bladgroenkorrels: planten maken hun eigen voedsel. Dit doen zij met hun bladgroenkorrels.
Bladgroenkorrels geven planten hun groene kleur
Zetmeelkorrels: korrels waarin zetmeel is opgeslagen (aardappel, banaan)
Kleurstofkorrels: korrels die een plant een andere kleur geeft dan groen. Zoals rood bij een tomaat.
,Levenskenmerken
We kunnen zeggen dat iets een organisme is als het de levenskenmerken vertoond
Stofwisseling
- Ademhalen: koolstofdioxide uitademen en zuurstof inademen
- Voeden: Voeding heb je nodig om te kunnen groeien en bewegen
- Uitscheiden: poepen en plassen zijn vormen van uitscheiden
Groeien
Voortplanten: om nakomelingen te krijgen moet je voortplanten
Reageren op prikkels: Opmerken wat er in je omgeving gebeurd en daarop kunnen reageren (zien,
horen, ruiken etc.)
- Bewegen
Bouw mens en dier
Mensen en dieren hebben verschillende orgaanstelsels
1. Zenuwstelsel: signalen doorgeven zodat bijvoorbeeld kan bewegen
2. Voorplantingsstelsel: voor nakomelingen zorgen
3. Spierstelsel: bewegen
4. Bottenstelsel: bewegen
5. Uitscheidingsstelsel: afvalstoffen uitscheiden
6. Bloedvatenstelsel: transport van stoffen door het lichaam
7. Hormoonstelsel: hormonen aanmaken
8. Spijsverteringsstelsel: eten verteren
9. Ademhalingsstelsel: ademhalen
10. Zintuigstelsel: Waarnemen
Een organisme bestaat uit verschillende orgaanstelsels
Een orgaanstelsel zijn verschillende organen die met elkaar samenwerken om 1 taak uit te voeren
Een orgaan bestaat uit verschillende weefsels die samenwerken
Een weefsel bestaat uit een groep cellen die hetzelfde eruit zien en dezelfde taak hebben
Van groot naar klein:
Organisme – orgaanstelsel – orgaan – weefsel - cel
, K6 Planten en dieren en hun samenhang
Aanpassing aan de omgeving
Planten en dieren passen zich aan hun omgeving aan
Aanpassing planten aan klimaat
Als het vochtig is hebben planten dunne bladeren en veel huidmondjes
Als het droog is hebben planten dikke bladeren en weinig huidmondjes
Aanpassing vogels poten
Watervogels (eend): zwemvliezen
Steltlopers (ooievaar): lange poten en gedeeltelijke zwemvliezen
Roofvogels (havik): klauwen
Aanpassing vogels snavel
Puntige snavel: insecten
Kegelvormige snavel: zaadetende vogel
Haakvormige snavel: roofvogels
Aanpassing dieren aan omgeving poten
Teengangers: Honden, Katten
Hoefgangers: Koeien, paarden
Zoolgangers: Mensen
Aanpassing zoogdieren gebit
Planteneters: Plooikiezen
Vleeseters: Knipkiezen
Alleseters: Knobbelkiezen
Koudbloedig: Dier heeft dezelfde temperatuur als de buitenlucht (slang)
Warmbloedig: dier houdt zelf zijn temperatuur op pijl (mens is altijd 37 graden)
Relaties tussen organismen
Producenten: Planten – Produceren hun eigen voedsel door fotosynthese. Andere organismen
kunnen dit niet
- Planten gebruiken zonlicht, koolstofdioxide en water en maken daarvan suiker (glucose) en
zuurstof
Consumenten: Dieren - Organismen die andere organismen opeten
Reducenten: Schimmels en bacteriën die dode planten en dierenresten opruimen. Ze maken hiervan
mineralen die planten weer gebruiken
Voedselketen: een reeks waarin het ene dier het andere dier opeet
Een voedselketen begint met producenten en eindigt met consumenten (linkerplaatje)
- In een voedselketen zitten dus geen reducenten!
Voedselweb: in het echte leven kunnen dieren door heel veel andere dieren gegeten worden en op
hun beurt kunnen zij ook weer heel veel dieren eten. Dit levert een voedselweb op. (rechterplaatje)
2022
Gemengde en theoretische leerweg
Cellen staan aan de basis
Planten en dieren en hun samenhang
Het lichaam in stand houden
Reageren op prikkels
Van generatie op generatie
Planten en Stofwisseling
Erfelijkheid
Gedrag
Bescherming
,K4 Cellen aan de basis
Celkenmerken
We delen de organismen in groepen in. Dit doen we op basis van hun cel eigenschappen. Dus hoe
hun cellen eruit zien.
Rijk Kenmerken
1. Bacterie Celwand en celmembraan
Cytoplasma
Geen celkern (DNA los in de cel)
Geen bladgroenkorrels
2. Dier Celkern
Cytoplasma
Geen celwand, wel een celmembraan
3. Plant Celwand en celmembraan
Cytoplasma
Celkern
Bladgroenkorrels
vacuole
4. Schimmel Celwand en celmembraan
Cytoplasma
Celkern
Geen bladgroenkorrels
Vacuole
Bacteriën zijn het kleinst. Daarna zijn de schimmel, planten en dierencellen allemaal ongeveer even
groot.
Functies celorganellen
Celwand: doosje rondom de cel. Geeft stevigheid en bescherming
Vacuole: ruimte die gevuld is met vocht en opgeloste stoffen (voeding), zorgt voor stevigheid
Celkern: hier wordt al het erfelijk materiaal bewaard. Het is alle informatie die de cel nodig heeft
Cytoplasma: water met daarin opgeloste stoffen en onder andere bladgroenkorrels bij planten
Celmembraan: Dun vliesje die om de cel heen ligt. Om het cytoplasma
Bladgroenkorrels: planten maken hun eigen voedsel. Dit doen zij met hun bladgroenkorrels.
Bladgroenkorrels geven planten hun groene kleur
Zetmeelkorrels: korrels waarin zetmeel is opgeslagen (aardappel, banaan)
Kleurstofkorrels: korrels die een plant een andere kleur geeft dan groen. Zoals rood bij een tomaat.
,Levenskenmerken
We kunnen zeggen dat iets een organisme is als het de levenskenmerken vertoond
Stofwisseling
- Ademhalen: koolstofdioxide uitademen en zuurstof inademen
- Voeden: Voeding heb je nodig om te kunnen groeien en bewegen
- Uitscheiden: poepen en plassen zijn vormen van uitscheiden
Groeien
Voortplanten: om nakomelingen te krijgen moet je voortplanten
Reageren op prikkels: Opmerken wat er in je omgeving gebeurd en daarop kunnen reageren (zien,
horen, ruiken etc.)
- Bewegen
Bouw mens en dier
Mensen en dieren hebben verschillende orgaanstelsels
1. Zenuwstelsel: signalen doorgeven zodat bijvoorbeeld kan bewegen
2. Voorplantingsstelsel: voor nakomelingen zorgen
3. Spierstelsel: bewegen
4. Bottenstelsel: bewegen
5. Uitscheidingsstelsel: afvalstoffen uitscheiden
6. Bloedvatenstelsel: transport van stoffen door het lichaam
7. Hormoonstelsel: hormonen aanmaken
8. Spijsverteringsstelsel: eten verteren
9. Ademhalingsstelsel: ademhalen
10. Zintuigstelsel: Waarnemen
Een organisme bestaat uit verschillende orgaanstelsels
Een orgaanstelsel zijn verschillende organen die met elkaar samenwerken om 1 taak uit te voeren
Een orgaan bestaat uit verschillende weefsels die samenwerken
Een weefsel bestaat uit een groep cellen die hetzelfde eruit zien en dezelfde taak hebben
Van groot naar klein:
Organisme – orgaanstelsel – orgaan – weefsel - cel
, K6 Planten en dieren en hun samenhang
Aanpassing aan de omgeving
Planten en dieren passen zich aan hun omgeving aan
Aanpassing planten aan klimaat
Als het vochtig is hebben planten dunne bladeren en veel huidmondjes
Als het droog is hebben planten dikke bladeren en weinig huidmondjes
Aanpassing vogels poten
Watervogels (eend): zwemvliezen
Steltlopers (ooievaar): lange poten en gedeeltelijke zwemvliezen
Roofvogels (havik): klauwen
Aanpassing vogels snavel
Puntige snavel: insecten
Kegelvormige snavel: zaadetende vogel
Haakvormige snavel: roofvogels
Aanpassing dieren aan omgeving poten
Teengangers: Honden, Katten
Hoefgangers: Koeien, paarden
Zoolgangers: Mensen
Aanpassing zoogdieren gebit
Planteneters: Plooikiezen
Vleeseters: Knipkiezen
Alleseters: Knobbelkiezen
Koudbloedig: Dier heeft dezelfde temperatuur als de buitenlucht (slang)
Warmbloedig: dier houdt zelf zijn temperatuur op pijl (mens is altijd 37 graden)
Relaties tussen organismen
Producenten: Planten – Produceren hun eigen voedsel door fotosynthese. Andere organismen
kunnen dit niet
- Planten gebruiken zonlicht, koolstofdioxide en water en maken daarvan suiker (glucose) en
zuurstof
Consumenten: Dieren - Organismen die andere organismen opeten
Reducenten: Schimmels en bacteriën die dode planten en dierenresten opruimen. Ze maken hiervan
mineralen die planten weer gebruiken
Voedselketen: een reeks waarin het ene dier het andere dier opeet
Een voedselketen begint met producenten en eindigt met consumenten (linkerplaatje)
- In een voedselketen zitten dus geen reducenten!
Voedselweb: in het echte leven kunnen dieren door heel veel andere dieren gegeten worden en op
hun beurt kunnen zij ook weer heel veel dieren eten. Dit levert een voedselweb op. (rechterplaatje)