Thema 2: Moleculaire mechanismen van genexpressie
Identificatie van DNA als drager van de genetische informatie
Genexpressie en fenotype
Gen: DNA-fragment dat codeert voor een polypeptide (één of meerdere is proteïne)
Genexpressie: wanneer de proteïne gesynthetiseerd is
- de erfelijke informatie in de basensequentie van het DNA wordt omgezet in een
fenotypisch kenmerk van een organisme
Centrale hypothese van de moleculaire biologie
- van DNA → via RNA → naar proteïne
= van de basensequentie in een DNA-fragment (een gen) wordt een afdruk gemaakt in de
vorm van een RNA-molecule; op zijn beurt geeft die RNA-molecule aan, welke
aminozuren elkaar zullen opvolgen in de te synthetiseren proteïne.
Proteïne als resultaat van genexpressie
Transcriptie: van een basensequentie in een DNA-fragment via transcriptie naar een
basensequentie in een mRNA
DNA kan celkern niet verlaten -> afdruk van gen in vorm van mRNA-molecule naar cytosol
VERLOOP
RNA-polymerase herkent startsequentie op de DNA-dubbelstreng en kan eraan binden nadat
specifieke enzymen zijn aangehecht -> 2 DNA-strengen losgemaakt door H-bruggen breken.
Het kan RNA-strengen opbouwen door nucleotiden aan te hechten
= complementaire basenparing
Telkens als RNA-polymerase verder geschoven is over het DNA, sluit de DNA-dubbelstreng
opnieuw. Helemaal aan het einde komt een stopsequentie
NABEWERKING VAN MRNA: SPLICING
Introns: niet-coderende DNA-stukken
Exons: coderende fragmenten
eerst hiermee overgeschreven, daarbij ontstaat een voorloper- of precursor-mRNA
Door enzymen worden de introns uitgeknipt en de exons aan elkaar geplakt = splicing,
wat hierna overblijft is een functioneel of rijp mRNA
Genetische code: geheel van de 64 codons
- triplet: opeenvolging van 3 basen in DNA
- codon: eenheid van een code in mRNA (stopcodons en startcodons)
Translatie: van een basensequentie in een mRNA via translatie naar een
aminozuursequentie in een polypeptide
Het aaneenhechten van aminozuren tot een polypeptide verloopt in het cytosol en wordt
uitgevoerd door de ribosomen.
Identificatie van DNA als drager van de genetische informatie
Genexpressie en fenotype
Gen: DNA-fragment dat codeert voor een polypeptide (één of meerdere is proteïne)
Genexpressie: wanneer de proteïne gesynthetiseerd is
- de erfelijke informatie in de basensequentie van het DNA wordt omgezet in een
fenotypisch kenmerk van een organisme
Centrale hypothese van de moleculaire biologie
- van DNA → via RNA → naar proteïne
= van de basensequentie in een DNA-fragment (een gen) wordt een afdruk gemaakt in de
vorm van een RNA-molecule; op zijn beurt geeft die RNA-molecule aan, welke
aminozuren elkaar zullen opvolgen in de te synthetiseren proteïne.
Proteïne als resultaat van genexpressie
Transcriptie: van een basensequentie in een DNA-fragment via transcriptie naar een
basensequentie in een mRNA
DNA kan celkern niet verlaten -> afdruk van gen in vorm van mRNA-molecule naar cytosol
VERLOOP
RNA-polymerase herkent startsequentie op de DNA-dubbelstreng en kan eraan binden nadat
specifieke enzymen zijn aangehecht -> 2 DNA-strengen losgemaakt door H-bruggen breken.
Het kan RNA-strengen opbouwen door nucleotiden aan te hechten
= complementaire basenparing
Telkens als RNA-polymerase verder geschoven is over het DNA, sluit de DNA-dubbelstreng
opnieuw. Helemaal aan het einde komt een stopsequentie
NABEWERKING VAN MRNA: SPLICING
Introns: niet-coderende DNA-stukken
Exons: coderende fragmenten
eerst hiermee overgeschreven, daarbij ontstaat een voorloper- of precursor-mRNA
Door enzymen worden de introns uitgeknipt en de exons aan elkaar geplakt = splicing,
wat hierna overblijft is een functioneel of rijp mRNA
Genetische code: geheel van de 64 codons
- triplet: opeenvolging van 3 basen in DNA
- codon: eenheid van een code in mRNA (stopcodons en startcodons)
Translatie: van een basensequentie in een mRNA via translatie naar een
aminozuursequentie in een polypeptide
Het aaneenhechten van aminozuren tot een polypeptide verloopt in het cytosol en wordt
uitgevoerd door de ribosomen.