gedragsstoornissen
Inhoud
1. Impulsen en zelfbeheersing
2. Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis
3. Periodiek explosieve stoornis
4. Gedragsstoornis
5. Pyromanie
6. Kleptomanie
7. Andere gespecificeerde ontwrichtende impulscontrole- en gedragsstoornissen
8. Niet gespecificeerde ontwrichtende impulscontrole- en gedragsstoornissen
1. Impulsen en zelfbeheersing
- Impulsen zijn prikkels die van binnenuit ons gedrag op gang brengen
(doorgaans in de richting van bevrediging van een of andere behoefte)
- Geleidelijk aan leert de mens deze impulsen onder controle krijgen
- Indien de persoon niet in staat is zich te verzetten ontstaat er een probleem
- Bij heel wat psychische stoornissen is er sprake van een probleem van impulscontrole
(bvb. seksuele stoornissen, misbruik van psychoactieve stoffen...)
1.1 Stoornissen in de impulscontrole hebben volgende kenmerken
gemeenschappelijk
- De personen slagen er niet in om weerstand te bieden aan impulsen, driften of
verleidingen om een handeling te stellen die schadelijk is voor henzelf of voor
anderen. Soms onderneemt de persoon wel pogingen om weerstand te bieden
- Vooraleer hij overgaat tot gedrag, ervaart de persoon een stijgende spanning
- Hij ervaart genot, ontspanning en bevrediging als hij toegeeft aan de impuls
- Onmiddellijk na de handeling ervaart de persoon soms spijt of schuld
, 2. Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis
Beschrijving:
- negativistisch, vijandig en oppositioneel gedrag tegenover autoriteitsfiguren
- Driftbuien
- Frequente ruzies met volwassenen
- Zich niet willen schikken naar regels
- Anderen opzettelijk en veelvuldig ergeren
- Anderen de schuld geven van eigen fouten
- Vaak prikkelbaar reageren
- Boos zijn
- Hatelijk zijn
à Vooral in de huiselijk sfeer!
à Op school doet het gedrag zich niet voor
2.1 Kenmerken van de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (DSM-5)
1. Er is een patroon met een boze, geïrriteerde stemming, twistend en opstandig
gedrag of wraakzucht, met een duur van minstens zes maanden, waarin ten
minste vier van de volgende kenmerken aanwezig zijn, minstens een uit elke
categorie. Die komen tot uiting in de interactie met ten minste één persoon die
geen broer of zus is.
Boze/lichtgeraakte stemming
o Verliest vaak kalmte
o Is vaak lichtgeraakt en geërgerd
o Is vaak boos en wrokkig
Twistziek en opstandig gedrag
o Argumenteert vaak met gezagsfiguren of, voor kinderen en adolescenten, met
volwassenen.
o Is vaak opstandig of weigert zich te voegen naar verzoeken of regels van
gezagsfiguren.
o Ergert vaak wetens en willens anderen
o Geeft anderen vaak de schuld van eigen fouten of wangedrag
Wraakzucht
o Was ten minste twee maal hatelijk of wraakzuchtig gedurende de laatste zes
maanden.
Het kenmerk moet vaker voorkomen dan normaal voor de leeftijd en het
ontwikkelingsniveau.
2. De gedragsstoornis veroorzaakt leed bij zichzelf en anderen in de onmiddellijke
omgeving (zoals familie, peergroep, collega’s op het werk) of heeft ernstige
gevolgen voor het sociaal, schools of beroepsmatig functioneren.