W&T: GELUID (P582-596)
WAT TE KUNNEN?
Je kan de vetgedrukte begrippen uit het hoofdstuk uitleggen en met elkaar in verband brengen
Je kan geluid definiëren
Je kan de eigenschappen van geluid opsommen
Je kan de verplaatsing van geluid verwoorden
Je kan enkele toepassingen van geluid aangeven
Je kan de eigenschappen van geluid illustreren aan de hand van voorbeelden
1. WAT IS GELUID? (P582)
Geluid = een golf die zich verplaatst door een middenstof heen, meestal lucht
Geluid kun je zichtbaar maken. Als je op een trommel slaat, zie je het trommelvel bewegen.
Door deze beweging ontstaan er kleine veranderingen in de luchtdruk, waardoor de lucht begint te
trillen. Het trillen van de lucht, die golven, noemen we geluid.
Je kunt geluid alleen horen als er een middenstof is, dwz een stof waardoor de trillingen zich kunnen
verplaatsen van de geluidsbron naar je oren
VB: tijdens een gesprek is lucht de middenstof
Geluid kan zich ook voortplanten in water, de geluiden klinken dan gedempter, geluid in water is veel
verder hoorbaar dan geluid dat zich voortplant in de lucht
Je kunt je de geluidsgolven in de lucht voorstellen als golven in het water
VERDIEPING
-> Ons gehoor zorgt er samen met de hersenen voor dat uit de geluidsgolven zowel de identificatie van het
geluid als de plaats van de geluidsbron afgeleid kan worden
Complexiteit van horen
Stel je een meer voor, waar gezwommen wordt, boten varen, dieren in zitten, … Al deze zaken veroorzaken
golfbewegingen in het water die steeds verder uitdeinen. Aan één van de oevers worden twee smalle
kanaaltjes gegraven, hier kan water inlopen. Op het water van deze kanaaltjes worden 2 plastic vliezen
gespannen. Door de beweging van het water zullen deze vliezen bewegen. Door alleen naar de vliezen te
kijken, wordt er afgeleid wat er allemaal op het meer gebeurd. (hoeveel boten er zijn, welke vogels, waait de
wind hard,..) Onmogelijk? Toch is het dat wat ons gehoor moet doen.
Het meer = de lucht in de omgeving, Kanaaltjes = onze gehoorgang, Plastic vliezen = trommelvliezen
Onze hersenen bundelen al deze geluiden en identificeren en lokaliseren alles
1
, 2. EIGENSCHAPPEN VAN GELUID (P584)
1) FREQUENTIE
Hoe snel iets trilt, kun je aanduiden met de trillingstijd of frequentie.
Frequentie = aantal trillingen per seconde door de middenstof (lucht, water, trommelvlies,.), herts (Hz)
Geluid zichtbaar maken, kan via een oscilloscoop, is een toestel dat de golfbeweging van het geluid
van links naar rechts over het scherm laat lopen
Afstand tussen 2 pieken: periode/golflengte
Aantal periodes dat je in één seconde meet: frequentie, hoe hoger de frequentie, hoe hoger
de toon
Geluiden met een heel hoge of lage frequentie kun je niet horen
Als kind hoor je tussen 20 en 20. 000 Hz = frequentiebereik
-> als je ouder wordt veranderd dit, vooral hoge tonen kan je dan minder goed horen
Dieren hebben ook een ander frequentiebereik, honden horen bijvoorbeeld veel hogere tonen dan
mensen
VERDIEPING
o Geluiden met een hogere frequentie dan 20. 000 Hz = ultrasone geluiden
(mensen kunnen dit niet horen, dieren wel zoals vleermuizen, sporen zo insecten op)
o Geluiden met een frequentie lager dan 20 Hz = infrasone geluiden
(mensen kunnen dit niet horen, olifanten communiceren via deze geluiden)
2) AMPLITUDE
Amplitude = grootte van de trillingen, afstand tussen de nullijn en de top van een golf, hoe harder het
geluid, hoe groter de golven in de omringende lucht worden
Decibelmeter = meet de sterkte van een geluid, in decibel (dB)
Om een geluid te kunnen horen, moet het hoger zijn dan de gehoordrempel
Gehoordrempel = zachtste geluid dat een persoon kan horen
3) TOONHOOGTE
Toonhoogte = karakteriseert een geluid in termen van laag en hoog, is subjectief en voor iedereen
verschillend
Waargenomen toonhoogte is afhankelijk van de intensiteit, de duur van het geluid en het
omgevingsgeluid
VERDIEPING
Via een toonregelaar of equalizer kan je bij een geluidsinstallatie de tonen zelf regelen. Vind je de muziek te
schel dan verzwak je de hoge tonen. Een equalizer maakt alle geluiden even sterk. Zo ervaar je de muziek zoals
die door de maker bedoeld is.
2
WAT TE KUNNEN?
Je kan de vetgedrukte begrippen uit het hoofdstuk uitleggen en met elkaar in verband brengen
Je kan geluid definiëren
Je kan de eigenschappen van geluid opsommen
Je kan de verplaatsing van geluid verwoorden
Je kan enkele toepassingen van geluid aangeven
Je kan de eigenschappen van geluid illustreren aan de hand van voorbeelden
1. WAT IS GELUID? (P582)
Geluid = een golf die zich verplaatst door een middenstof heen, meestal lucht
Geluid kun je zichtbaar maken. Als je op een trommel slaat, zie je het trommelvel bewegen.
Door deze beweging ontstaan er kleine veranderingen in de luchtdruk, waardoor de lucht begint te
trillen. Het trillen van de lucht, die golven, noemen we geluid.
Je kunt geluid alleen horen als er een middenstof is, dwz een stof waardoor de trillingen zich kunnen
verplaatsen van de geluidsbron naar je oren
VB: tijdens een gesprek is lucht de middenstof
Geluid kan zich ook voortplanten in water, de geluiden klinken dan gedempter, geluid in water is veel
verder hoorbaar dan geluid dat zich voortplant in de lucht
Je kunt je de geluidsgolven in de lucht voorstellen als golven in het water
VERDIEPING
-> Ons gehoor zorgt er samen met de hersenen voor dat uit de geluidsgolven zowel de identificatie van het
geluid als de plaats van de geluidsbron afgeleid kan worden
Complexiteit van horen
Stel je een meer voor, waar gezwommen wordt, boten varen, dieren in zitten, … Al deze zaken veroorzaken
golfbewegingen in het water die steeds verder uitdeinen. Aan één van de oevers worden twee smalle
kanaaltjes gegraven, hier kan water inlopen. Op het water van deze kanaaltjes worden 2 plastic vliezen
gespannen. Door de beweging van het water zullen deze vliezen bewegen. Door alleen naar de vliezen te
kijken, wordt er afgeleid wat er allemaal op het meer gebeurd. (hoeveel boten er zijn, welke vogels, waait de
wind hard,..) Onmogelijk? Toch is het dat wat ons gehoor moet doen.
Het meer = de lucht in de omgeving, Kanaaltjes = onze gehoorgang, Plastic vliezen = trommelvliezen
Onze hersenen bundelen al deze geluiden en identificeren en lokaliseren alles
1
, 2. EIGENSCHAPPEN VAN GELUID (P584)
1) FREQUENTIE
Hoe snel iets trilt, kun je aanduiden met de trillingstijd of frequentie.
Frequentie = aantal trillingen per seconde door de middenstof (lucht, water, trommelvlies,.), herts (Hz)
Geluid zichtbaar maken, kan via een oscilloscoop, is een toestel dat de golfbeweging van het geluid
van links naar rechts over het scherm laat lopen
Afstand tussen 2 pieken: periode/golflengte
Aantal periodes dat je in één seconde meet: frequentie, hoe hoger de frequentie, hoe hoger
de toon
Geluiden met een heel hoge of lage frequentie kun je niet horen
Als kind hoor je tussen 20 en 20. 000 Hz = frequentiebereik
-> als je ouder wordt veranderd dit, vooral hoge tonen kan je dan minder goed horen
Dieren hebben ook een ander frequentiebereik, honden horen bijvoorbeeld veel hogere tonen dan
mensen
VERDIEPING
o Geluiden met een hogere frequentie dan 20. 000 Hz = ultrasone geluiden
(mensen kunnen dit niet horen, dieren wel zoals vleermuizen, sporen zo insecten op)
o Geluiden met een frequentie lager dan 20 Hz = infrasone geluiden
(mensen kunnen dit niet horen, olifanten communiceren via deze geluiden)
2) AMPLITUDE
Amplitude = grootte van de trillingen, afstand tussen de nullijn en de top van een golf, hoe harder het
geluid, hoe groter de golven in de omringende lucht worden
Decibelmeter = meet de sterkte van een geluid, in decibel (dB)
Om een geluid te kunnen horen, moet het hoger zijn dan de gehoordrempel
Gehoordrempel = zachtste geluid dat een persoon kan horen
3) TOONHOOGTE
Toonhoogte = karakteriseert een geluid in termen van laag en hoog, is subjectief en voor iedereen
verschillend
Waargenomen toonhoogte is afhankelijk van de intensiteit, de duur van het geluid en het
omgevingsgeluid
VERDIEPING
Via een toonregelaar of equalizer kan je bij een geluidsinstallatie de tonen zelf regelen. Vind je de muziek te
schel dan verzwak je de hoge tonen. Een equalizer maakt alle geluiden even sterk. Zo ervaar je de muziek zoals
die door de maker bedoeld is.
2