Belichtings-en studiotechnieken
Basisprincipes belichtingstechniek: Term fotografie: Grieks (photo + grapho)
Photo’s = licht en grapho= schrijven
Zonder licht kan er niet worden gefotografeerd!
De digitale sensor
Onderdeel dat achter het diafragma en de lens zit en dat aan en uit kan
worden gezet.
Maar ook een hoofdonderdeel van een systeem dat zijn respons
interpreteert en verwerkt.
een steeds groter deel van deze verwerking is geautomatiseerd
De ‘correcte’ instelling houdt een belichting en contrast in die middentonen in
het midden van het histogram zet en zoveel mogelijk verlies van hooglichten en
schaduwen voorkomt. ook moet er een kleurbalans zijn die de middentonen
precies neutraal maakt.
Deel 1: Licht en de camera
De werking van en relatie tussen diafragma, sluitertijd en gevoeligheid (sensor)
Diafragma/aperture: lensopening
Sluitertijd/shutter= tijd dat het gordijn open is, zodat licht de sensor kan
bereiken door het diafragma (seconden)
Gevoeligheid/sensor= de versterking van het beeldsignaal (ISO)
We werken manueel, want:
Een correcte belichting
De drie elementen bieden ons ook enkele creatieve mogelijkheden (dit is
de kern dat fotografie uitmaken)
Belichtingsdosis: De onderlinge verhouding tussen het gekozen diafragma, de
sluitertijd en gevoeligheid.
Wanneer we bij de lichtmeting een bepaalde waarde krijgen, kunnen we deze zo
aanpassen dat de belichtingsdosis dezelfde blijft door die verhouding te
respecteren.
1.1 Diafragma
Diafragma: een reeks metalen lamellen in het objectief die open en
dichtgedraaid kunnen worden.
Waarden: 1 – 1,4 – 2 – 2,8 – 4 – 5,6 – 8 – 11 – 16 – 22 – 32 – 45 – 64
Tussen elk opeenvolgende waarde is er een verdubbeling of halvering van de
hoeveelheid licht die wordt doorgelaten. We spreken van telkens 1 STOP
VERSCHIL.
Voorbeeld: f/1,4 geeft dubbel zoveel licht als f/2
F/16 geeft half zoveel licht als F/11 Kunnen berekenen!!
DUS: kleine opening groot cijfer (F/16)
Grote opening klein cijfer (f/2)
,
, Creative mogelijkheden met het diafragma
Scherptediepteveld veranderen:
Grote lens- of diafragmaopening ( F/2.4): geeft een klein scherptediepteveld
Kleine diafragmaopenening (F/8): groter scherptediepteveld
Bokeh:
verschil in onscherpte (afkomstig uit Japans)
Benoemt de kwaliteit van het onscherpte (bij grote onscherpte zien we kleine
cirkeltjes)
Diafragma: gebruik van lamellen om grotere/kleinere opening te bereiken)
Hoe meer lamellen, hoe hoger de kwaliteit van de onscherpte
Minder lamellen (Bokeh), de rondjes zijn dan hoekiger.
Scherptediepte is afhankelijk van:
Diafragma
Brandpuntsafstand
Voorwerpsafstand
Langere brandpunten hebben minder scherptediepte dan groothoeken
Een voorwerp kortbij zal minder scherptediepte vertonen dan een
onderwerp veraf (bv. macro-opnames)
Basisprincipes belichtingstechniek: Term fotografie: Grieks (photo + grapho)
Photo’s = licht en grapho= schrijven
Zonder licht kan er niet worden gefotografeerd!
De digitale sensor
Onderdeel dat achter het diafragma en de lens zit en dat aan en uit kan
worden gezet.
Maar ook een hoofdonderdeel van een systeem dat zijn respons
interpreteert en verwerkt.
een steeds groter deel van deze verwerking is geautomatiseerd
De ‘correcte’ instelling houdt een belichting en contrast in die middentonen in
het midden van het histogram zet en zoveel mogelijk verlies van hooglichten en
schaduwen voorkomt. ook moet er een kleurbalans zijn die de middentonen
precies neutraal maakt.
Deel 1: Licht en de camera
De werking van en relatie tussen diafragma, sluitertijd en gevoeligheid (sensor)
Diafragma/aperture: lensopening
Sluitertijd/shutter= tijd dat het gordijn open is, zodat licht de sensor kan
bereiken door het diafragma (seconden)
Gevoeligheid/sensor= de versterking van het beeldsignaal (ISO)
We werken manueel, want:
Een correcte belichting
De drie elementen bieden ons ook enkele creatieve mogelijkheden (dit is
de kern dat fotografie uitmaken)
Belichtingsdosis: De onderlinge verhouding tussen het gekozen diafragma, de
sluitertijd en gevoeligheid.
Wanneer we bij de lichtmeting een bepaalde waarde krijgen, kunnen we deze zo
aanpassen dat de belichtingsdosis dezelfde blijft door die verhouding te
respecteren.
1.1 Diafragma
Diafragma: een reeks metalen lamellen in het objectief die open en
dichtgedraaid kunnen worden.
Waarden: 1 – 1,4 – 2 – 2,8 – 4 – 5,6 – 8 – 11 – 16 – 22 – 32 – 45 – 64
Tussen elk opeenvolgende waarde is er een verdubbeling of halvering van de
hoeveelheid licht die wordt doorgelaten. We spreken van telkens 1 STOP
VERSCHIL.
Voorbeeld: f/1,4 geeft dubbel zoveel licht als f/2
F/16 geeft half zoveel licht als F/11 Kunnen berekenen!!
DUS: kleine opening groot cijfer (F/16)
Grote opening klein cijfer (f/2)
,
, Creative mogelijkheden met het diafragma
Scherptediepteveld veranderen:
Grote lens- of diafragmaopening ( F/2.4): geeft een klein scherptediepteveld
Kleine diafragmaopenening (F/8): groter scherptediepteveld
Bokeh:
verschil in onscherpte (afkomstig uit Japans)
Benoemt de kwaliteit van het onscherpte (bij grote onscherpte zien we kleine
cirkeltjes)
Diafragma: gebruik van lamellen om grotere/kleinere opening te bereiken)
Hoe meer lamellen, hoe hoger de kwaliteit van de onscherpte
Minder lamellen (Bokeh), de rondjes zijn dan hoekiger.
Scherptediepte is afhankelijk van:
Diafragma
Brandpuntsafstand
Voorwerpsafstand
Langere brandpunten hebben minder scherptediepte dan groothoeken
Een voorwerp kortbij zal minder scherptediepte vertonen dan een
onderwerp veraf (bv. macro-opnames)