Medische biochemie 12/1
2. Koolhydraten, vetten en proteïnen als brandstof
* Constitutieve enzymen = in const conc in de cel aanwezig
* Hexokinase 1-3 <-> hexokinase 4 = glucokinase
* Lipiden leveren meer E, want meer gereduceerd door minder O2
* Galzouten = in de lever gemaakt uit chol, glyco- en tauroconjugaten van cholaat en
chenodeoxycholaat
* Hersynthese van gereabsorbeerde lipideverteringsprod in ER mucosacel => VZ-samenstelling
kunnen aanpassen!
* Essentiële AZ p.27/47
3. Fasen in het intermediair metabolisme
* Bel dirigenten voor de voedingstoestand = insuline en glucagon
* RBC enkel gluc; hersenen ook, maar bij uithongering ook andere brandstoffen
* TG gevormd uit voedingsTG in epitheelcellen dunne darm -> chylomicronen
* TG gevormd uit glucose door lever -> VLDL
* Opslagcapaciteit vetten ‘virtueel’ eindeloos
* Type 2 diabetes: overnacht ook hoge glucgehalte
* VZ geen C-bron voor gluconeogenese
4. Introductie tot de metabole pathways
* Binnenste membraan mitochondriën zeer impermeabel
5. Het Emetabolisme : biosynthese van ATP
* ATP
oFosforylering op substniveau
§ Fosfoglyceraatkinase
§ Pyruvaatkinase
§ succinylCoA synthetase (GTP dmv nucleoside diP kinase ATP)
o Oxidatieve fosforylering
* Iso-enzymen = versch struct, maar gelijke subst specificiteit
* CK (= creatinekinase) lekt in bloed bij beroerte/hartaanval -> nu diagnose dmv TnT en TnI
(troponines)
* NADP+ accepteert ook é maar geeft ze niet af aan étransportketen -> é wel gebruikt bij
biosynthese of detoxificatie
6. Mitochondriale ademhalingsketen
* Keten zit aan matrixkant -> gevormd ATP in matrix -> moet door impermeabele binnenste
mitoch.membr.
* Zowel de ATP-synthase als de ADP/ATP-translocase worden aangedreven door het
protonengradiënt + potentiaalverschil
* Netto-effect = export ATP kost 1 H+!
7. Het metabolisme van glucose voor Eproductie
* GLUT4-transporter = insulinedependent in spier- en vetcellen
* Hypoglycemie -> kan snel leiden tot coma (hersenen gebruiken enkel glc)
* Counterregulatory hormones = werken werking insuline tegen en zijn vaak alarmsignalen
* Hemoglobine A geglycosyleerd bij hoge glcspiegel! => HbA1c is nuttige klinische merker
diabetes
1
, 9. Krebscyclus
* Dehydrogenasen = enzymen die é-bevattende H-atomen verwijderen van een substraat
* Alfa-ketoglutaraatDHcomplex = alfa-ketoglutaraatDH, transacylase en lipoamideDH
* Isoenzym = werken op dezelfde manier, maar met andere subst
* TPP = thiamine pyrofosfaat
* Alcohol inhib transport thiamine
* FAD(H2) nauw gebonden aan succinaatDH
* Malaat-aspartaatshuttle = 1H+ minder -> 9H+ naar ademhalingsketen = 9/4 = 2,25 ATP =>
MEEST EFFICIËNTE
* Glycerolfosfaatshuttle = maar 6H+, want FADH2 naar ademhalingsketen = 6/4 = 1,5 ATP =>
MINST EFFICIËNTE
* ATP-opbrengst = via MAS 31, via GFS 29,5
* ATP = C10H16N5O13P3 = 507 g/mol --> 503g/mol in fysiologische toestand
10. Regeling Krebscyclus
* Binding van oxaloacetaat met citraatsynthase -> conformatieverandering -> bindingsplaats
voor acetylcoA komt vrij
11. Anaërobe glycolyse
* Pasteur effect = na E-explosie -> zuurstof komt langzaam terug beschikbaar -> overschakeling
naar efficiëntere ox via Krebs
* Cori cyclus = lacaat naar lever -> pyruvaat -> glucose
* Lactaat verlaat cel met proton of in ruil voor OH- => cel pH stijgt
12. Gluconeogenese
* Precursoren = alanine (AZ), glycerol en lactaat
* 3 irreversibele stadia = glucokinase, fosfofructokinase en pyruvaatkinase
13. Van glucose tot glycogeen
* ATP en citraat fungeren als boodschappers (inhib PFK) voor glycogenese ----> lipogenese
* Glycogeensynthase <-> glycogeenfosforylase(= homodimeer)
* De novo synthese = glycogenine glycosyleert zichzelf aan OH van tyrosineresidu tot activatie
synthase
* Chloroindole-carboxamides = inhib glycogeenforforylase (GM tegen hyperglycermie bij type 2
diabetes)
* Normaal continu degradatie glycogeen in lysosomen (dmv zure maltase) => bij deficiëntie is er
accumulatie = type 2 of ziekte van Pompe
* In spier = glycogenolyse en glycolyse samen geactiveerd!
* In lever = glycogenolyse en glucoNEOgenese saemn geactiveerd! (leveren allebei glc op!)
14. Glycogeenmetabolisme lever
* LEVER = invloed door insuline/glucagon, glucose, glucose6P en adrenaline
* SPIER = invloed door insuline, glucose6P, adrenaline en AMP
* Hormonale effectoren -> op noden HELE organisme
* Glycogeenstapelingsziekten =GSZ
o TYPE 1 = glc6fosfatase deficiëntie (enkel lever)
o TYPE 6 = deficiëntie leverfosforylase
o TYPE 3 = deficiëntie debranching enzym
2
2. Koolhydraten, vetten en proteïnen als brandstof
* Constitutieve enzymen = in const conc in de cel aanwezig
* Hexokinase 1-3 <-> hexokinase 4 = glucokinase
* Lipiden leveren meer E, want meer gereduceerd door minder O2
* Galzouten = in de lever gemaakt uit chol, glyco- en tauroconjugaten van cholaat en
chenodeoxycholaat
* Hersynthese van gereabsorbeerde lipideverteringsprod in ER mucosacel => VZ-samenstelling
kunnen aanpassen!
* Essentiële AZ p.27/47
3. Fasen in het intermediair metabolisme
* Bel dirigenten voor de voedingstoestand = insuline en glucagon
* RBC enkel gluc; hersenen ook, maar bij uithongering ook andere brandstoffen
* TG gevormd uit voedingsTG in epitheelcellen dunne darm -> chylomicronen
* TG gevormd uit glucose door lever -> VLDL
* Opslagcapaciteit vetten ‘virtueel’ eindeloos
* Type 2 diabetes: overnacht ook hoge glucgehalte
* VZ geen C-bron voor gluconeogenese
4. Introductie tot de metabole pathways
* Binnenste membraan mitochondriën zeer impermeabel
5. Het Emetabolisme : biosynthese van ATP
* ATP
oFosforylering op substniveau
§ Fosfoglyceraatkinase
§ Pyruvaatkinase
§ succinylCoA synthetase (GTP dmv nucleoside diP kinase ATP)
o Oxidatieve fosforylering
* Iso-enzymen = versch struct, maar gelijke subst specificiteit
* CK (= creatinekinase) lekt in bloed bij beroerte/hartaanval -> nu diagnose dmv TnT en TnI
(troponines)
* NADP+ accepteert ook é maar geeft ze niet af aan étransportketen -> é wel gebruikt bij
biosynthese of detoxificatie
6. Mitochondriale ademhalingsketen
* Keten zit aan matrixkant -> gevormd ATP in matrix -> moet door impermeabele binnenste
mitoch.membr.
* Zowel de ATP-synthase als de ADP/ATP-translocase worden aangedreven door het
protonengradiënt + potentiaalverschil
* Netto-effect = export ATP kost 1 H+!
7. Het metabolisme van glucose voor Eproductie
* GLUT4-transporter = insulinedependent in spier- en vetcellen
* Hypoglycemie -> kan snel leiden tot coma (hersenen gebruiken enkel glc)
* Counterregulatory hormones = werken werking insuline tegen en zijn vaak alarmsignalen
* Hemoglobine A geglycosyleerd bij hoge glcspiegel! => HbA1c is nuttige klinische merker
diabetes
1
, 9. Krebscyclus
* Dehydrogenasen = enzymen die é-bevattende H-atomen verwijderen van een substraat
* Alfa-ketoglutaraatDHcomplex = alfa-ketoglutaraatDH, transacylase en lipoamideDH
* Isoenzym = werken op dezelfde manier, maar met andere subst
* TPP = thiamine pyrofosfaat
* Alcohol inhib transport thiamine
* FAD(H2) nauw gebonden aan succinaatDH
* Malaat-aspartaatshuttle = 1H+ minder -> 9H+ naar ademhalingsketen = 9/4 = 2,25 ATP =>
MEEST EFFICIËNTE
* Glycerolfosfaatshuttle = maar 6H+, want FADH2 naar ademhalingsketen = 6/4 = 1,5 ATP =>
MINST EFFICIËNTE
* ATP-opbrengst = via MAS 31, via GFS 29,5
* ATP = C10H16N5O13P3 = 507 g/mol --> 503g/mol in fysiologische toestand
10. Regeling Krebscyclus
* Binding van oxaloacetaat met citraatsynthase -> conformatieverandering -> bindingsplaats
voor acetylcoA komt vrij
11. Anaërobe glycolyse
* Pasteur effect = na E-explosie -> zuurstof komt langzaam terug beschikbaar -> overschakeling
naar efficiëntere ox via Krebs
* Cori cyclus = lacaat naar lever -> pyruvaat -> glucose
* Lactaat verlaat cel met proton of in ruil voor OH- => cel pH stijgt
12. Gluconeogenese
* Precursoren = alanine (AZ), glycerol en lactaat
* 3 irreversibele stadia = glucokinase, fosfofructokinase en pyruvaatkinase
13. Van glucose tot glycogeen
* ATP en citraat fungeren als boodschappers (inhib PFK) voor glycogenese ----> lipogenese
* Glycogeensynthase <-> glycogeenfosforylase(= homodimeer)
* De novo synthese = glycogenine glycosyleert zichzelf aan OH van tyrosineresidu tot activatie
synthase
* Chloroindole-carboxamides = inhib glycogeenforforylase (GM tegen hyperglycermie bij type 2
diabetes)
* Normaal continu degradatie glycogeen in lysosomen (dmv zure maltase) => bij deficiëntie is er
accumulatie = type 2 of ziekte van Pompe
* In spier = glycogenolyse en glycolyse samen geactiveerd!
* In lever = glycogenolyse en glucoNEOgenese saemn geactiveerd! (leveren allebei glc op!)
14. Glycogeenmetabolisme lever
* LEVER = invloed door insuline/glucagon, glucose, glucose6P en adrenaline
* SPIER = invloed door insuline, glucose6P, adrenaline en AMP
* Hormonale effectoren -> op noden HELE organisme
* Glycogeenstapelingsziekten =GSZ
o TYPE 1 = glc6fosfatase deficiëntie (enkel lever)
o TYPE 6 = deficiëntie leverfosforylase
o TYPE 3 = deficiëntie debranching enzym
2