FARMACOLOGIE : DEEL 2
• DEEL 2 : Transmissie in het perifeer en autonoom zenuwstelsel
▪ H1: Cholinerge transmissie
▪ H2: Adrenerge transmissie
▪ H3: Dopaminerge transmissie
▪ H4: Serotoninerge transmissie
▪ Purinerge transmissie
▪ Toepassing 1: Glaucoom
▪ Toepassing 3: Obesitas; Gebruik van centrale stimulantia bij narcolepsie en
ADHD
©Elise Vanoverschelde
,Farmacologie Deel 2
Inleiding: Transmissie in het perifeer en autonoom zenuwstelsel
- Perifeer ZS opgebouwd uit:
o Afferent gedeelte
▪ Sensorische prikkels doorzenden naar centraal ZS (ruggenmerg + hersenen)
o Efferent gedeelte, omvat:
▪ Autonoom ZS, bestaat uit:
❖ Parasympathisch ZS
Pre- en postganglionaire vezels, met elkaar synaps maken in
autonome ganglia
Postganglionaire vezels bezenuwen: glad spierweefsel, hart,
exocriene klieren
Contactgebied tussen postganglionaire vezels en
bezenuwde weefsel = neuro-effector junctie
❖ Orthosympathisch ZS
Pre- en postganglionaire vezels, met elkaar synaps maken in
autonome ganglia
Bezenuwen: glad spierweefsel, hart, exocriene klieren,
bijniermerg, eilandjes Langerhans, lever, nier, vetweefsel,
skeletspier
Contactgebied tussen postganglionaire vezels en bezenuwde
weefsel = neuro-effector junctie
❖ Enterisch ZS
Wordt geïnnerveerd door postganglionaire vezels van
orthosym ZS en preganglionaire vezels van parasym ZS
▪ Motorisch ZS
❖ - en -motorneuronen die projecteren vh ventrale ruggenmerg
naar skeletspier. Junctie tussen beide = neuromusculaire junctie
- Niet alle weefsels worden bezenuwd door ortho- en parasym ZS
o Uitsluitend orthosymp bezenuwing:
zweetklieren, pilomotorspieren, vele bloedvaten, nier, m.dilatator pupillae,
skeletspier
o Uitsluitend parasymp bezenuwing:
m.constrictor pupillae, m.ciliaris, gastro-intestinale klieren, traanklieren,
bronchiale gladde spieren
- De activiteit vd preganglionaire neuronen vh ortho-en parasym ZS geregeld door
neerdalende banen vanuit hersenen → vele farmaca kunnen activiteit van ortho- en parasym
ZS wijzigen door centrale outflow naar dit ZS te beïnvloeden.
- In dit deel cursus: farmaca bespreken die interageren met efferent deel vh perifere ZS:
interactie met de neurotransmitters (NT) van dit perifere ZS
- Co-transmissie = neuronen zetten meer dan 1 neurotransmitter of modulator vrij
©Elise Vanoverschelde
,Farmacologie Deel 2
- Denervatiesupersensitiviteit:
o Denervatie door zenuwsectie
o Bij (langdurige) farmacologische blokkade
Opheffen blokkade → rebound-effecten
o Verschillende mechanismen bijdragen tot denervatie-supersensitiviteit:
▪ Proliferatie van receptoren
▪ Verlies van mechanismen voor NT-verwijdering
▪ Verhoogde postsynaptische gevoeligheid
- Presynaptische modulatie
o Presynaptische receptoren regelen NT-vrijzetting vooral door modulatie vd Ca2+-
instroom in zenuwuiteinde
o Meeste presyn receptoren: G-proteïne gekoppeld
- Gm NIET door BBB → actie enkel in perifere ZS
Gm WEL door BBB → ook centrale effecten
Perifeer ZS
Polaire gm (permanente pos of neg lading)→ moeilijk door BBB geraken
©Elise Vanoverschelde
, Farmacologie Deel 2
Actiepotentiaal & synaptische transmissie
Actiepotentiaal = signaal dat zich voortgeleidt op elektrische manier via exciteerbare cellen.
Actiepot voortgeleiden langs membranen van neuronen
→ terminus bereiken → vesikels geladen met NT fuseren met presyn zenuwuiteinde via exocytose
→ NT diffunderen door synaptische spleet → NT binden aan postsyn rec → nieuwe actiepot
Wissselwerking tussen elektrische component (actiepot die voortgeleidt) en chemische component
(NT thv synaps).
Na+ conc extracell > Na+ conc intracell
K+ conc extracell < K+ conc intracell
1) Depolarisatie
rust: - 90 mV
openen Na+ kanalen → pos geladen Na+ deeltjes van buiten naar binnen cel
→ membraan pot minder neg w → tot beetje boven 0
2) Repolarisatie
K+ kanalen openen → K+ van binnen naar buiten (volgens conc gradiënt, geen ATP nodig)
→ membraan pot terugkeren naar oorspronkelijke waarde + wordt iets te neg
(hyperpolarisatie)
3) Hyperpolarisatie
membraan pot iets negatiever w dan oorspronkelijk was
Verlies van K+ Compenseren door:
Opstapeling van Na+ Na+ naar buiten pompen
K+ naar binnen pompen
→ via Na+/K+-ATPase
ATP nodig want tegen conc gradiënt
©Elise Vanoverschelde