Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 44 pages
Resume

Volledige Samenvatting + Voorbeeldvragen van Moderne Filosofie | UA | 2025/26

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 44 pages

Samenvatting voor het vak Moderne Filosofie aan de Universiteit Antwerpen, met focus op de inleiding en historische afbakening van de moderne filosofie. De aantekeningen behandelen belangrijke thema's zoals de rol van Descartes als grondlegger, de vier provisoire kenmerken van de moderne filosofie (filosofie als manier van leven, relatie met theologie, metafysica, en systeemdenken), en de breuk tussen continentale en analytische filosofie. Deze samenvatting geeft een solide basis voor het begrip van fundamentele concepten en filosofen zoals Hegel, Nietzsche en Ockham, en zijn ideaal voor voorbereiding op toetsen en tentamens.

Aperçu du contenu

MODERNE FILOSOFIE
Inleiding – Wat is geschiedenis van de filosofie?
Er is geen exacte afbakening in tijd van de moderne filosofie. Vaak wordt Descartes echter wel vaak als
startpunt gezien, de vader van de moderne filosofie. Zijn filosofie is het resultaat van een beweging in
het denken die al lang aan de gang is. De mens komt centraler te staan in de late Renaissance. Het
nominalisme was de start van de inwaartse wending.
Het einde van de moderne filosofie wordt geplaatst rond de periode van Nietzsche (de filosoof met de
hamer), hij ‘klopt op de metafysische theorieën van zijn voorgangers. Ook bij Frege kan het einde van
de moderne filosofie (of het begin van de hedendaagse filosofie) worden gesitueerd. Hij is de
grondlegger van de formele logica. En ook Hegel thematiseert het einde van de moderne filosofie, hij
betekende het summum van de rationaliteitsfilosofie, volgens hem kan de rationaliteit alles omvatten.
Het eindpunt van de moderne tijd betekent ook het ontstaan van een kloof tussen continentale en
analytische filosofie. Er was dus een duidelijk geografisch te plaatsen breuklijn. Op continentaal Europa
hield men zich vooral bezig met de geschiedenis van filosofie. Bij onder andere de Engelsen ontstond er
een analytische filosofie die zich bezighoudt met logica en het oplossen van problemen. Het eindpunt
van de moderne tijd is dus het begin van een breuk in de filosofie.
Ook de manier van filosoferen veranderde bij de moderne filosofie. Op een bepaald moment in de
moderniteit ontstaat er een zelfinteresse van de filosofie in haar eigen geschiedenis.
Hegel: ‘Je kan niet aan filosofie doen zonder aan geschiedenis van de filosofie te doen.’
Er is dus een interesse in wat filosofie doet en wat het gedaan heeft. Elke filosofie is tegelijk een
antwoord op de vraag: ‘Wat is filosofie?’. Er werd dus een focus gelegd op de grondslagen van de
filosofie. De volledige aard verandert dus.
Met de verandering van middeleeuwse naar moderne filosofie werden er 4 provisoire kenmerken
duidelijk.
Filosofie als manier van leven: In de oudheid en de middeleeuwen was filosofie een
manier van leven of een levenskunst. Plato begreep filosofie als een verwondering of als een liefde
voor wijsheid. Het was ook een uitweg van een maatschappij waarin hij leefde. Volgens Plato wordt
de ziel gedreven naar inzicht (intuïtie). Het intellectuele trekt aan (eros), de grond en wijsheid van
het zijn is het belichten van iets uit verschillende hoeken. In de moderne filosofie is fundering de
grond en waarheid van het zijn. De existentiële dimensie gaat dus verloren. Filosofie wordt gezien als
het kennen van objectieve proposities.
Filosofie en theologie: Tijdens de middeleeuwen waren filosofie en theologie nauw
verweven. Thomas van Aquino stelde dat filosofie en theologie elkaar aanvullen. Hij maakte dus een
grote synthese tussen Aristoteles en het Christelijke geloof. De filosofie heeft als fundering de rede,
en geloof heeft als fundering de openbaring. Willem van Ockham ziet de rede als verzwakt ten
aanzien van de theologie. De rationaliteit heeft geen toegang meer tot de gehele werkelijkheid (het
domein van de theologie). Rationaliteit wordt gezien als instrument, het is niet meer participerend.
Door het nominalisme van Ockham gaat de zekerheid verloren. In de moderniteit is er sprake van
een inwaarts keren van het zelf. De zekerheid wordt dus in het ‘ik’ gezocht. Het subject wordt de
bron en de fundering van de waarheid. Het goddelijke zelf verandert radicaal van natuur ten
opzichte van de christelijke God.
Filosofie als metafysica: De overgang naar een autonomere metafysica in de moderne tijd
hangt nauw samen met het verdwijnen van de rol van de theologie. Metafysica wordt dus autonoom
en gaat een grotere rol spelen. Filosofie wordt hierdoor een zoektocht naar het rationele fundament
van alles (wetenschap, ethiek, ervaring, …). Het model van de positieve wetenschappen wordt dus
enorm bepalend voor de filosofie. De rationaliteit ontwikkelt een preoccupatie met de grond, grenzen
en inhoud van zijn eigen structuren. Het wordt dus een zoektocht naar funderende principes. Tegelijk
reduceert deze overgang de filosofie ook. De band met het dagelijkse leven gaat verloren,
metafysica is niet belangrijk voor de gewone mens. Ook vindt er een reductie van verwondering
plaats tot louter proposities. Er was ook een zoektocht naar een specifieke vorm van zekerheid, het
is een zekerheid over dingen waar vroeger geen zekerheid over nodig was.
Filosofie als systeemdenken: Filosofie in de oudheid en de middeleeuwen was een vorm
van participatie in de rationaliteit. In de moderne tijd wordt filosofie een vorm van constructie.
Filosofie wordt door zijn eigen dynamiek een systeemfilosofie. We gaan van twijfel en onzekerheid
naar zekerheid (Descartes), in plaats van verwondering naar begrijpelijkheid (Plato). De beweging
naar systematiek werd al in gang gezet door Aristoteles, maar wordt nu pas verder tot voltooiing

, gebracht. Er zit dus een construerend vermogen in onszelf, dat vormt de basisbouwstenen. Maar,
soms zet moderne filosofie zich ook net af tegen het systeemdenken (Hume, Nietzsche).




Geschiedenis van de (moderne) filosofie
Er is vanuit de filosofie dus een grote interesse in haar eigen geschiedenis, in tegenstelling tot de
positieve wetenschappen. Ze zoekt naar waarheid door te kijken naar haar eigen reeks aan dwalingen.
Volgens Hegel waren dit echter niet echt dwalingen, maar vulden ze elkaar aan. Het domein van de
filosofie heeft dus het meeste veelvoud aan theorieën en opvattingen. Dit is dus wel moeilijk om de
echte waarheid te vinden. Het is dus een paradoxale stelling: filosofie is opzoek naar waarheid, maar
door de vele theorieën is dat enorm moeilijk.
Een mogelijke oplossing voor deze paradox zou zijn om te beslissen dat de geschiedenis van de filosofie
niet belangrijk is. Hierdoor zou een positief wetenschappelijk model de overhand nemen.
De analytische filosofie legt bijvoorbeeld de nadruk op problemen, in plaats van de
geschiedenis. (Mind-body probleem, persoonsidentiteit, vrije wil versus determinisme, …)
De geschiedenis van de filosofie kan ons volgens deze opvatting hooguit oefenen in het redeneren, of
dienen ter inspiratie.
Een alternatief voor deze oplossing is om filosofie te bekijken als literatuur. Hierdoor zou men wel
gedeeltelijk de strikte waarheidsclaim moeten loslaten. Sommige filosofen zijn natuurlijk al zeer
retorisch of literair. Het zou ook rekenschap geven van de bijdrage van literatuur. Veel filosofen zijn
namelijk ook vaak geïnteresseerd in literatuur.
De paradox is eigenlijk maar op te lossen vanuit een antwoord op de vraag wat die geschiedenis van de
filosofie werkelijk is. Is het een sub-domein, naast alle anderen, volgens de visie van analytische
filosofen? Of is het eerder een onderwerp zoals ecofilosofie, feministische filosofie, …?
Op de vraag of geschiedenis van de filosofie zelf filosofie is, is er een veelvoud aan antwoorden.
Analytische filosofen en neo-Kantianen vinden radicaal van niet. Volgens een aantal anderen kan de
geschiedenis van de filosofie als hulpmiddel worden gezien (Nussbaum, Bernard Williams, …). Het kan
ons helpen filosofische problemen te zien en biedt ons conceptuele kaders om problemen op te lossen.
Volgens Hegel is filosofie per definitie historisch. Hij brengt de geschiedenis binnen in de filosofie. De
geschiedenis van de filosofie is de rationaliteit die op zichzelf reflecteert.
Het is dus pas met Hegel dat geschiedenis van de filosofie als filosofie de traditie binnenkomt. Het is
dus een moderne uitvinding. In de oudheid waren eerdere filosofen vooral een bron van wijsheid. Of ze
waren figuren om te weerleggen. Mensen sloten zich aan bij een bepaalde school met een eigen
geschiedenis. Tijdens de middeleeuwen maakte men een selectie van relevante materialen om te
gebruiken in een synthese. Ze grijpen dus wat goed uitkomt (cherry picking). Ook kwam tijdens de
middeleeuwen de traditie van ‘commentaren’ schrijven binnen. Vanaf Descartes tot Kant werd er vaak
opnieuw begonnen en was er dus geen gebruik van geschiedenis. Eerdere ideeën worden enkel
sporadisch opgenomen waar relevant. Kant ziet de aanzet tot eerdere ideeën als voorbereiding op zijn
eigen synthese. In het begin van de moderne filosofie doceerden filosofen wel vaak de geschiedenis en
vormden ze parallellen met wat ze zelf doen. Bij Hegel komt de eigen opvatting bij geschiedenis binnen
in de filosofische traditie.
Geschiedenis van de filosofie of ideeëngeschiedenis?
De ideeëngeschiedenis bestudeert ideeën vanuit het verleden en de invloed daarvan op politiek,
samenleving, cultuur, economie, … Ze bestuderen dus hoe ideeën functioneren in de samenleving. In
de traditie van de ideeëngeschiedenis ontstond er ook het concept van een encyclopedie. Een boek
waarin men ideeën en hun definities kan geven en de geschiedenis er van kan schrijven. Er is een idee
van vooruitgangsdenken, er kan een tegenstelling worden gemaakt van wat vooraf ging. Er kan een
tegenstelling worden gemaakt tussen de waarheid en wat vroeger waarheid was en nu niet meer. De
rationaliteit wordt hierbij dus ook belangrijker. De ideeëngeschiedenis zorgt er feitelijk voor dat er
ideeën zijn waarvan de uitwerking in de werkelijkheid mogelijk is. Dit was niet mogelijk in de oudheid
en middeleeuwen. De ideeën worden losgekoppeld van hun originele bron. Dit kan wel een gevaar zijn.
Andersom zijn ideeën ook afgeleiden van de ervaring.
De filosofiegeschiedenis heeft als kern de interne ontwikkeling van het filosofische denken zelf.
Sommige ideeën hebben geen invloed buiten de filosofie zelf. De conceptuele ontwikkeling en

,coherentie zijn in deze traditie dus primair. Filosofie wordt gezien als een opeenvolging van filosofische
begrippen en/of denkbeelden. Toch zijn grote filosofen niet los te denken van hun tijd (bijvoorbeeld
burgeroorlogen, totstandkoming van de moderne fysica, …). Filosofie is het verstaan van de
samenleving. Die samenleving leeft altijd in spanning tussen zijn concrete bestaan en de waarheid van
dit bestaan. Filosofie is dus zelf een deel van het zelf-verstaan of zelf-articulatie van een samenleving.
Moderne filosofie neemt dus een heel eigen positie en rol in. Het zorgt voor het ontstaan van een
vooruitgangsdenken en het verdwijnen van transcendentie.




De periode van de moderne filosofie
Van 1350 tot 1550 vond de Renaissance plaats, met nadruk op het humanisme. Vanaf 1550 ging de
vroegmoderne filosofie van start, tot 1700. De verlichtingsfilosofie liep van 1700 tot 1830. Uiteindelijk
eindigde de laatmoderne filosofie in 1900. De centrale lijn in deze geschiedenis was het stijgen van het
belang van de persoon. De oorsprong van de waarheid werd in het zelf gevonden. Het constructieve
element van het denken werd bestudeerd. De voorafgaande grond hiervan was het nominalisme, hier
zaten alle denkers mee en vertrok hun filosofie uit.
Soms wordt de moderniteit sterk geïdentificeerd met de Verlichting of spreekt men van
verlichtingsdenken. Immanuel Kant stelde de vraag: Wat is verlichting? Hij zag het als een bevrijding uit
een soort van onmondigheid. Dit is duidelijk door zijn uitspraak ‘Sapere Aude’ (durf te denken). De
noodzakelijke voorwaarde van vrijheid is het gebruik mogen maken van de rede. Er is dus een
vrijheidsideaal. De Verlichting is geen unitair gegeven, wel een familie van intellectuele projecten. De
Verlichting is een soort ‘catch all synthese’. De nadruk werd gelegd op de rede. Er was een kritiek van
traditie en autoriteit. Ook autonomie, dat voor de moderne filosofie onbekend was, werd nu benadrukt
en nagestreefd. In het algemeen kon men dus spreken van een vooruitgangsideaal. De Verlichting kan
opgedeeld worden in drie ‘soorten’.
De Franse Verlichting is misschien wel het meest stereotype. Er is een duidelijk antiklerikaal en
politiek radicale traditie. Dit zal uiteindelijk ook leiden tot de Franse Revolutie. Secularisatie,
rationaliteit en politieke emancipatie komen hier samen. Jean-Jacques Rousseau kwam bijvoorbeeld
met het idee van volkssoevereiniteit. Hij sprak van de volonté générale, de algemene wil. Zijn
politiek ideaal was dus zelfwetgeving. Ook Montesquieu kan gedacht worden binnen de idee van de
Franse Verlichting. Hij bracht het idee van de scheiding der machten binnen. Er was dan ook een
evenwicht en wederzijdse controle van de macht. Hij ziet vrijheid als veiligheid tegen
machtsmisbruik. Montesquieu had dus het idee van institutionele vrijheid.
De Britse Verlichting had een andere dynamiek dan de Franse Verlichting. Het vertrouwen in de
rede is minder groot, er is dus geen triomf van de rede, wel een disciplinering. De rede is dus
empirisch ingebed, de kennis vertrekt vanuit de ervaring en niet vanuit ideeën. John Locke startte
met het idee van tabula rasa. De geest is een leeg blad dat gevuld wordt door ervaringen. De rede
ordent wel de ervaring, maar de ervaring blijft primair. Locke ontwikkelde ook een sociale
contracttheorie. David Hume zegt dat de rede niet almachtig is, wel de gewoonte, verwachting en de
menselijke natuur. Ook Adam Smith is te plaatsen in de idee van de Britse Verlichting. Hij ziet dat de
sociale orde gevormd wordt vanuit interactie, niet vanuit een rationeel plan. De Britse Verlichting is
in het algemeen dus minder revolutionair dan de Franse Verlichting.
De Duitse Verlichting vormde een kritiek van de rede. Hij zorgde voor een overgang van de
begrenzing van de rede naar culminatie van de rationaliteitsfilosofie. De politiek was op filosofisch
vlak zeer conservatief. Immanuel Kant doet onderzoek naar de grenzen van de rede en vraagt zich af
waarom de exacte wetenschappen zo succesvol zijn, in tegenstelling tot de filosofie. Hij onderzoekt
ook de structuur van de rationaliteit zelf. Gotthold Ephraim Lessing vond niet dat religie irrationeel is,
maar het is niet bewijsbaar. Hij heeft wel een religieuze tolerantie, geen enkele religie heeft een
monopolie op de waarheid. Hieruit volgt dus een openheid naar religie. Er is dus bij hem wel een
besef van verschillende religies, maar die zijn niet bewijsbaar. Georg Wilhelm Friedrich Hegel vindt
zelf dat rationaliteit historisch is. De staat is een resultaat van een historische ontwikkeling van de
rede, een verwerkelijking van de vrijheid. Volgens Hegel ordenen ‘primaire religies’ de andere
religies. Die primaire religies zijn volgens hem wel niet van deze streken.
Na de Verlichting was er een wantrouwen in de rede, en een onmogelijkheid van fundering. Horkheimer
en Adorno vinden zelf dat alle slechte dingen die hebben plaatsgevonden in de 20 e eeuw (fascisme,
Stalinisme, massaconsumptie, …) een resultaat waren van die Verlichting. Het postmodernisme

, markeer het einde van grote filosofische verhalen en theorieën (Jean-Francois Lyotard: ‘La fin des
grands récits’). De rede kan niet alles begrijpen. Het project van de Verlichting leidt ook tot een
onmogelijk moreel ideaal. Er zouden universele morele wetten moeten zijn, maar er is geen gedeelde
morele praktijk. Volgens Alasdair MacIntyre (After Virtue) begrijpen we onze eigen moraal niet meer.
De Verlichting is ook kritisch. Het is een kritiek op bestaande structuren en traditie. Maar ook velt het
een oordeel over de reikwijdte of een begrenzing van de rationaliteit (Kritiek van de zuivere rede –
Kant). De Verlichting vraagt zich dus af hoever menselijke kennis gaat. Het Verlichtingsdenken is dus
vooronderstellingsloos. Volgens Hans-Georg Gadamer (Wahrheit und Methode) vindt de Verlichting zelf
een vooroordeel. Kritiek moet gefundeerd zijn in traditie. Er is ook geen absolute rationaliteit. Het idee
van ‘weg te doen met alle vooronderstellingen’ is zelf een vooronderstelling.
Voor de moderne filosofie begon verloor de rede haar verankering in een kenbare orde. Universalia
bestaan niet meer, er is dus sprake van nominalisme. Universalia verdubbelen enkel onnodig de
werkelijkheid (Willem van Ockham). Het nominalisme breekt de verstaanbare band tussen de bron van
de werkelijkheid en zijn effect.
“European culture rests on a relatively small number of ideas. One of them is the assumption
that reality as we observe or experience it does not coincide with the principles that justify it.” (Louis
Dupré, The Enlightenment & the Intellectual Foundations of Modern culture)


Voorheen bevatte het wezen van dingen iets algemeen. De werkelijkheid was geordend en begrijpelijk.
Die universalia hadden dus hun bron in het goddelijke. Volgens het nominalisme bestaan deze
universalia dus niet werkelijk, enkel in naam en taal. De rationaliteit is volgens Willem van Ockham niet
in staat om op basis van universalia begrippen in de werkelijkheid te ordenen. De band tussen het
goddelijke (de bron) en zijn effect (de werkelijkheid zelf) werd voorheen gemedieerd door de
universalia, nu niet meer.
De innerlijke wending
De wereld van Plato en Thomas van Aquino wordt onverstaanbaar zonder universalia. De band met de
werkelijkheid zal dus opnieuw moeten worden opgebouwd. De universalia moeten terug volledig van
het begin worden bewezen. We zoeken dan de bron binnenin onszelf, in de persoon zoeken naar
essentie waardoor we toegang zouden krijgen tot de werkelijkheid. We kunnen dus spreken van een
innerlijke wending, de bron kan niet meer buitenaf worden gezocht, enkel in de persoon zelf. Dit heeft
een enorme impact want alles wat logisch te onderscheiden is, bestaat onafhankelijk. De menselijke
natuur is bijvoorbeeld onafhankelijk van de samenleving. Hierdoor vindt er een verschuiving in de
politieke filosofie plaats. Het individu komt centraal te staan. De mens is dus ook geen politiek en
sociaal wezen want je kan de mens logisch onderscheiden.
Er worden nieuwe universalia ‘ontdekt’, bewezen. Bij Descartes zal het cogito het uitgangspunt worden
van waaruit vertrokken wordt. Het cogito is het minst deelbare in zichzelf. Het zelfbewustzijn wordt de
innerlijke bouwsteen, de nieuwe bron van zekerheid. Het is echter wel een andere soort van universalia
dan bij Plato en Aristoteles. In de oudheid bevatte het universele alle particuliere mogelijkheid. Vanaf
Descartes wordt het universele een formeel, leeg, a priori.
Zelfstudievragen:
Wat bedoelen we met moderne filosofie? Licht mogelijke begin- en eindpunten toe.

Op welke wijze ontstaat er in de moderne filosofie een expliciete interesse in haar eigen geschiedenis? Leg uit wat dit zegt over het zelfbegrip van de moderne filosofie.

Wat betekent de stelling dat elke filosofie tegelijk een antwoord is op de vraag: “Wat is filosofie?”

Bespreek vier kenmerken van de moderne filosofie.

Wat betekent ‘filosofie als manier van leven’ bij Plato, en op weke wijze verdwijnt die dimensie in de moderniteit?

Wat bedoelen we met de nadruk op fundering in de moderne filosofie, en hoe verschilt dit van filosofie in de Oudheid?

Wat is de ‘paradox van de geschiedenis van de filosofie’?

Is de geschiedenis van de filosofie, filosofie?

Wat is het verschil tussen filosofiegeschiedenis en ideeëngeschiedenis?

Wat typeert de Verlichting en het verlichtingsdenken?

Welke rol speelde het nominalisme voor de moderne filosofie?

Wat bedoelen we met de ‘innerlijke wending’ binnen de moderne filosofie?




EEN WERELD IN VERANDERING

Infos sur le Document

Publié le
28 juillet 2026
Nombre de pages
44
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€6,96

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
0
Abonnés
0
Éléments
2
Dernière vente
-


Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions