H1: The Relevance of International Business
We hebben veel van onze huidige welvaart (prosperity) te danken aan handel.
Sinds de oudheid handelen mensen met elkaar. Door internationale handel
kunnen landen en bedrijven zich specialiseren in wat ze het best kunnen
produceren (en laten importeren wat ze minder efficiënt kunnen produceren).
Zo ontstaat meer welvaart, omdat niet iedereen alles zelf moet maken.
De bronnen van specialisatie zijn afhankelijk van de geografische locatie, de
overvloed (of schaarste) aan hulpbronnen, intellectueel eigendom, cultuur of
zelfs historische toevalligheden. Doordat geld en eigendommen mobiel zijn gaan
meer bedrijven zich globaliseren om zo te profiteren van lokale specialisatie en
om zo wereldwijde netwerken op te bouwen.
Sinds 2020 (COVID-19, oorlogen, spanningen) is de wereldhandel instabieler
(volatile) geworden. Daarom focussen bedrijven nu meer op:
Veerkracht (resilience)
Risicobeheer (risk management)
Nearshoring / Reshoring (productie dichterbij halen)
Leveranciers spreiden (supplier diversification)
The World is Flat (2005) – Thomas Friedman
Hij zegt dat de wereld “plat” is geworden. Dat betekent dat bedrijven en mensen
uit verschillende landen ongeveer dezelfde kansen hebben om mee te doen in de
wereldeconomie.
Je kunt makkelijk samenwerken met mensen in andere landen
Je kunt overal klanten hebben
Je kunt overal concurrenten hebben
Afstand is minder belangrijk geworden
Volgens Friedman zijn er een aantal grote veranderingen of flatteners:
Val van de Berlijnse muur: landen gingen meer samenwerken, handel werd
makkelijker
The rise of the internet: Je kan mensen overal ter wereld makkelijk
berieken en informatie met hen delen.
Nieuwe manieren van werken met technologie:
o Outsourcing: Werk uitbesteden aan een ander bedrijf (vaak in een
ander land)
o Offshoring: Werk verplaatsen naar een ander land
o Supply chaining: Producten maken met onderdelen uit verschillende
landen
o Open source: Software die iedereen mag gebruiken en verbeteren
Gevolgen:
Meer landen zijn verbonden
Arme landen kunnen sneller groeien
Concurrentie is groter
, Je kan wereldwijd werken
Later werd duidelijk: Veel politici hebben geleerd dat internationale handel
welvaart brengt. Dat betekent: Meer jobs, meer geld, meer bedrijven, … Maar:
Niet iedereen profiteert evenveel. Soms alleen “de happy few” (de rijken).
Trump en zijn tarieven
Trump stelde dat de wereld niet langer “plat” is, wat betekent dat landen niet
meer automatisch profiteren van globalisering. Hij vond dat de VS te veel nadeel
hadden van internationale handel. Daarom voerde hij hoge importheffingen
(tarieven) in, vooral tegen China.
Tarieven = belastingen die je betaalt op geïmporteerde of geëxporteerde
producten.
Bedrijven moeten deze heffingen betalen aan de overheid.
Het doel is vaak:
o Binnenlandse bedrijven beschermen
o Buitenlandse producten duurder maken
Probleem: Veel economen vinden dat tarieven de economie schaden,
omdat:
o Producten duurder worden voor
consumenten
o Handel afneemt
o Andere landen vaak terugslaan met
eigen tarieven
Trump richtte zich met zijn tarieven vooral op China
omdat:
China een van de grootste handelslanden ter
wereld is
De VS veel meer uit China importeert dan
andersom
Er een groot handelstekort (trade deficit) is. Hierdoor bezit China veel
Amerikaanse dollars.
“China is the bank of America”
China bezit veel Amerikaanse staatsobligaties
De VS heeft dus veel schuld bij China
China functioneert deels als “geldschieter” van de VS
De VS is deels financieel afhankelijk van China. Dat maakt de economische
relatie gevoelig
Gevolgen van Verenigd Koninkrijk na Brexit
Na het verlaten van de Europese Unie (Brexit) is de economische welvaart in het
VK gedaald.
Belangrijkste redenen:
Minder handel met de EU
o Er zijn nu meer regels en controles
o Exporteren is duurder en ingewikkelder geworden
, Hoge energiekosten: De energieprijzen in het VK zijn erg hoog omdat:
o Het land is sterk afhankelijk van gasimport
o Er weinig eigen energieproductie is
o De overheid heeft laat ingegrepen bij stijgende prijzen
o De oorlog in Oekraïne zorgde voor extra prijsstijgingen
Bedrijven hebben hogere kosten
Burgers betalen meer voor energie
Koopkracht daalt
Advantages of Economic Globalization
Economische groei (Economic Growth): Nieuwe markten openen waar
nieuwe kansen gecreëerd kunnen worden Meer productie, meer jobs,
meer welvaart.
Markttoegang (Market Access): Bedrijven bereiken meer klanten
wereldwijd.
Diversificatie (Diversification): Minder afhankelijk van één land waardoor je
risico kunt spreiden.
Efficiënt gebruik van middelen (Resource Utilization): Gebruik van
buitenlandse grondstoffen en kennis.
Innovatie en concurrentie (Innovation and Competition) : Bedrijven moeten
blijven vernieuwen technologische vooruitgang en verbeteringen in
producten en diensten.
Uitwisseling van ideeën (Exchange of Ideas): Culturele en zakelijke kennis
wordt gedeeld creatieve oplossingen
Economische ontwikkeling (Economic Development): Vooral via
buitenlandse investeringen (Foreign Direct Investment – FDI) die kunnen
leiden tot de ontwikkeling van infrastructuur, creëren van jobs en
overdracht van vaardigheden.
Internationale handel (Trade): Beweging van goederen en diensten.
Politieke stabiliteit (Political Stability): Landen worden afhankelijk van
elkaar minder conflicten.
Wereldwijde toeleveringsketens (Global Supply Chains): Producten worden
in meerdere landen gemaakt.
Internationale financiën (International Finance): Stimuleert geldstromen,
wisselkoersen, investeringen.
Digitalisering (Digitalization): Groei van online platforms, e-commerce,
cloud computing.
Duurzaamheid (Sustainability / Green Transition): Bijdragen aan milieu en
klimaat.
Weerbaarheid (Resilience): Bedrijven bouwen sterkere netwerken.
Wereldwijde culturele uitwisseling: uitwisseling van culturen en waarden
bevordert begrip en samenwerking tussen landen
Internationale samenwerking: Wereldwijde uitdagingen zoals
klimaatverandering, gezondheidscrises en veiligheidsdreigingen vereisen
vaak internationale samenwerking.
Internationale handel is de motor van het globale
bbp:
, België is een open economie, omdat het sterk afhankelijk is van import en export.
Het produceert niet genoeg goederen en diensten om volledig in zijn eigen
behoeften te voorzien, en is daarom aangewezen op handel met andere landen.
Arguments against economic globalization
Ongelijkheid en uitbuiting (Economic Inequality & Exploitation): Lage
lonen, slechte omstandigheden. Waarbij den winsten gaan naar het
thuisland en het gastland verarmd.
Culturele vervlakking (Cultural Homogenization): verlies van culturele
diversiteit en identiteit mondiale cultuur
Milieuschade (Environmental Impact): Vervuiling en klimaatproblemen.
Marktdominantie (Market Dominance): Grote bedrijven verdringen kleine.
Politieke invloed (Political Influence): Bedrijven beïnvloeden regeringen
waarbij de belagen van deze bedrijven soms voorrang krijgen boven de
behoeften en welzijn van de lokale bevolking.
Slechte arbeidsomstandigheden (Labor Standards): Kinderarbeid, lage
lonen.
Economische afhankelijkheid (Economic Dependence): Landen worden te
afhankelijk waardoor zij kwetsbaar worden voor externe economische
schokken en beslissingen van het moederbedrijf of thuisland.
Veiligheidsrisico’s (Security Concerns): Technologie en infrastructuur in
buitenlandse handen.
Dataproblemen (Digital & Data Concerns) : Privacy en surveillance.
Nationalisme (Nationalistic / Ethnocentric Attitude): Afkeer van
globalisering omdat het schadelijk zou zijn voor lokale bedrijven en de
nationale economie/
Daarom is ethiek (ethics) en duurzaamheid (sustainability) belangrijk, zoals in de
SDG’s (Sustainable Development Goals) van de VN.
Macro-Environmental Factors
Internationale bedrijven worden sterk beïnvloed door macro-omgevingsfactoren,
zoals economie, politiek en cultuur. Deze factoren liggen meestal buiten de
controle van het bedrijf, maar hebben wel veel invloed op hun strategie en
prestaties.
Daarom moeten managers die internationaal werken sociaal bewust en
empathisch zijn. Ze moeten beseffen dat wat in hun eigen land normaal is, in
andere landen vaak anders is. En ze moeten zich dan ook aanpassen aan de
lokale context.
Macro-omgevingsfactoren: