Semester 1
De babytijd (0-1 jaar)
Portmann
De mens is een “fysiologische vroeggeboorte” → we komen ter wereld terwijl we
eigenlijk nog niet volledig ontwikkeld zijn.
Combinatie van nestblijver en nestvlieder:
o Nestblijver: baby kan nog niet veel (afhankelijk).
o Nestvlieder: heeft wel al enkele mogelijkheden.
Baby’s zijn sterk afhankelijk van de omgeving (moeder, verzorgers).
Hersenen: bij geboorte slechts ¼ van het volwassen hersengewicht.
Omgeving = psychologische baarmoeder: omgeving vormt en beïnvloedt het
kind sterk in het eerste levensjaar.
In dit eerste jaar leert de baby lopen, spreken, reageren op de omgeving, enz.
Neonatus (eerste 4 weken)
Beschikt over aanpassingsmechanismen: helpt overleven in nieuwe omgeving.
Zintuigen functioneren al: horen, ruiken, proeven, tast.
Motorische reacties aanwezig.
Instinctzwak maar leervaardig: baby leert van bij geboorte door ervaring.
Gedragstoestanden volgens Prechtl
Baby wisselt 6 toestanden af:
1. Rustige slaap
2. Actieve (REM) slaap
3. Slaperigheid
4. Rustig wakker
5. Actief wakker
6. Huilen
Baby slaapt ongeveer 2/3 van de tijd.
Reflexen
Erfelijke, automatische reacties op specifieke prikkels.
Blijvende reflexen (zoals knipperreflex).
Voorbijgaande/archaïsche reflexen: verdwijnen in het eerste levensjaar.
o Zoekreflex
o Zuigreflex
o Slikreflex
→ Samen zorgen ze dat de baby kan drinken.
Waarneming en cognitie
Adualisme
,Baby maakt nog geen onderscheid tussen zichzelf en de buitenwereld. Subject-
objectsplitsing.
Zintuigen
Tast, temperatuur, pijn, smaak, reuk, gehoor → goed ontwikkeld.
Baby herkent moeder aan geur.
Zicht: beperkt – ziet enkel scherp op 20–30 cm, voorkeur voor menselijke
gezichten, onderscheidt licht/donker.
Accommodatie (Piaget)
Accommodatie is een vorm van leren waarbij een baby zijn bestaande schema’s
aanpast aan nieuwe ervaringen.
Baby’s worden geboren met simpele schema’s, zoals zuigen, grijpen en kijken.
Wanneer iets niet past binnen een bestaand schema, moet het schema worden
aangepast.
Voorbeeld in de babytijd:
Een baby zuigt eerst op alles op dezelfde manier (fles, speen, vinger).
Als de baby merkt dat een beker anders werkt dan speen, past zijn zuigbeweging aan.
Twee voorwaarden van Morton en Johnson (gezichtsherkenning)
Morton en Johnson (1991) onderzochten waarom baby’s zo sterk op gezichten reageren.
Volgens hen zijn er twee systemen nodig:
1. CONSPEC (aangeboren systeem)
Baby’s worden geboren met een aangeboren voorkeur voor gezichten.
Ze letten vooral op:
o Twee ogen
o Een neus
o Een mond
2. CONLERN (lerend systeem)
Door ervaring leert baby specifieke gezichten herkennen, zoals van ouders.
Dit systeem ontwikkelt zich door herhaalde blootstelling aan gezichten.
Habituatie
Habituatie betekent dat een baby minder sterk reageert op een prikkel die steeds
wordt herhaald.
Baby’s kijken of reageren langer op nieuwe prikkels dan op bekende.
Onderzoekers gebruiken habituatie om te meten wat baby’s kunnen waarnemen
en onderscheiden.
Habituatie laat zien dat baby’s:
Informatie verwerken, leren onderscheiden en geheugen gebruiken.
Sociaal leren – babytijd
Sociaal leren is leren door anderen te observeren.
Baby’s leren veel door te kijken naar ouders en verzorgers.
Dit gebeurt al in de eerste levensmaanden.
,Nabootsingsmechanisme
Baby’s kunnen bewegingen en gezichtsuitdrukkingen nadoen.
Dit gebeurt soms al kort na de geboorte.
Nabootsing helpt bij:
Sociale interactie
Taalontwikkeling
Emotioneel contact
Spiegelneuronen
Spiegelneuronen zijn hersencellen die actief worden:
o Als je zelf iets doet
o Én als je ziet dat iemand anders het doet
Ze vormen een biologische basis voor nabootsing en empathie.
Bij baby’s helpen spiegelneuronen om:
Gedrag van anderen te begrijpen
Sociale vaardigheden te ontwikkelen
Sociale gerichtheid en emoties
Huilen: eerste communicatiemiddel (honger, pijn, kou). Primitieve hulpkreet.
In begin asociaal wezen: mensen enkel middelen om behoeften te bevredigen.
Beperkte emoties: enkel lust (tevreden) en onlust (ontevreden).
Solitaire glimlach: geen sociale lach, maar teken van welbevinden.
Motorische ontwikkeling
Snelle groei van zenuwstelsel – snelste groeifase in het leven. Synapsen en myelinisering
van de zenuwvezels. Twee ontwikkelingsrichtingen:
Cefalo-caudaal: van hoofd naar voeten.
Proximo-distaal: van centrum naar buitenkant.
Mijlpalen
Vaardigheid Leeftijd (gemiddeld) Omschrijving
Kijken 0–3 maanden Volgt met ogen
Grijpen 3–6 maanden Eerst toevallig, later bewust
Zitten 6–9 maanden Rond 7 maanden zelfstandig
Kruipen & optrekken 9–12 maanden Bewegen aan meubels
Lopen Vanaf 12 maanden Eerst met hulp, dan zelfstandig
➡️Er zijn individuele verschillen in tempo.
Cognitieve ontwikkeling (Piaget)
Eerste fase = sensomotorische fase (0–2 jaar).
Denken gebeurt via zintuigen en motoriek, nog niet via symbolen of taal.
Assimilatie: nieuwe info inpassen in bestaande schema’s.
Accommodatie: schema’s aanpassen aan nieuwe info.
6 stadia van sensomotorische ontwikkeling
1. Reflexhandelingen (0–1m): reflexen ongecoördineerd.
, 2. Primaire circulaire reacties (1–4m): herhalen van aangename
lichaamservaringen (bv. duimzuigen).
3. Secundaire circulaire reacties (4–8m): handelingen voorwerpen uit omgeving.
4. Intentioneel handelen (8–12m): doelgericht gedrag, begin van
objectpermanentie.
5. Tertiaire circulaire reacties (12–18m): experimenteren en combineren.
6. Mentale voorstellingen (18–24m): begint in het hoofd te denken, plannen.
Inwendig experimenteren. Overgang naar pre-operationeel denken.
Waarneming
2 maanden: kleuren onderscheiden
3 maanden: vormen en gehelen zien
6 maanden: waarneming bijna als volwassene
Ontwikkeling van dieptezicht
Leren en geheugen:
Conditionering: gedrag gevolgd door beloning wordt herhaald.
Geheugen ontwikkelt: kan onthouden dat iets bestond (objectpermanentie).
Geen bewuste herinneringen aan babyperiode.
Taalontwikkeling
Taalontwikkeling is het proces waarbij kinderen leren klanken maken, begrijpen en
gebruiken om te communiceren. Dit begint al vanaf geboorte en verloopt in vaste fasen.
Prelinguale periode
De fase vóórdat een kind echte woorden gebruikt (ongeveer 0–1 jaar). In deze periode
communiceert de baby vooral met geluiden, mimiek en lichaamstaal.
Huilen
Huilen is de eerste vorm van communicatie.
Baby’s huilen om behoeften aan te geven, zoals honger, pijn of vermoeidheid.
Na verloop van tijd krijgen huilgeluiden verschillende betekenissen.
Vocaliseren
Vanaf ongeveer 2 maanden maakt een baby zachte klinkerachtige geluiden
Dit gebeurt vaak tijdens contact met verzorgers en is een vroege vorm van sociaal
communiceren.
Vocaal spel
De baby experimenteert met verschillende klanken, toonhoogtes en volumes.
Geluiden worden herhaald en gevarieerd, vaak uit plezier.
Dit helpt bij de ontwikkeling van de spraakorganen.
Brabbelfase
Rond 6 maanden begint de brabbelfase.
Baby’s combineren medeklinkers en klinkers, zoals “ba-ba” of “da-da”.
Dit is een belangrijke voorbereiding op het spreken van echte woorden.
Poly- en monoglotte taalontwikkeling
Monoglotte taalontwikkeling: het kind groeit op met één taal.