1. INLEIDING
o Doelgroep
Brede doelgroep:
Leeftijdsgroepen: kinderen en jongeren, volwassenen
Iedereen binnen een bepaalde gemeente
Categoriale doelgroep: doelgroep wordt bepaald door specifieke
kenmerken
Bv mensen met een beperking, mensen met psychische
kwetsbaarheid
Niveau
Individueel of gezin
Groep
Samenleving
o 8 B’s van toegankelijkheid
Bruikbaar
mate waarin het aanbod aan de behoeften voldoet, ook van
specifieke doelgroepen
Beschikbaarheid
mate waarin het aanbod gemakkelijk beschikbaar is en waarin er
administratieve en andere drempels (bv. wachtlijsten) maar het
ook de inspanningen om de vraag te ontrafelen en latente
vragen aan bod te laten komen
Betaalbaarheid
mate waarin de prijs voor het aanbod een drempel vormt, evt. ook
de ‘psychologische kostprijs’ of inspanningen die de gebruiker
moet leveren om van het aanbod gebruik te maken
Bereikbaarheid
mate waarin het aanbod fysiek, ruimtelijk en in de tijd toegankelijk
is
Bekendheid
mate waarin het aanbod bekend is bij de doelgroep
Begrijpbaarheid
mate waarin info over het aanbod begrijpelijk is, zodat gebruiker
kan beoordelen of het aanbod voor hem/haar bestemt
de mate waarin er in de hulpen dienstverlening zelf
begrijpelijk gecommuniceerd wordt
Betrouwbaarheid
mate waarin de dienstverlener en zijn aanbod als betrouwbaar
wordt gepercipieerd door de gebruiker
heeft invloed op de mate waarin er mentale drempels (zoals angst
door vooroordelen) bestaan
Begripvol
mate waarin de dienstverlener en zijn aanbod als betrouwbaar
wordt gepercipieerd door de (potentiële) gebruiker
heeft invloed op de mate waarin er mentale drempels (zoals angst
door vooroordelen) bestaan
1
,2. BELEID IN KAART
o Wat is beleid?
Keuzes (bv. niet meer dan 2 jaar werkloos zijn) , maatregelen, regels,
principes
Gemaakt door een overheid of organisatie
o Doel van ‘beleid maken’
(Maatschappelijke) problemen aan te pakken
Diensten te leveren aan burgers of klanten
Eigen doelstellingen te realiseren
o = overheid of organisatie maakt beleid en heeft eindverantwoordelijkheid
wordt beïnvloed
Adviesraden bv. studentenraad
Lobbygroepen
Burgerverenigingen
Professionals => jeugdprofessionals
Kiezer
Media
o Welke overheid is betrokken en
bepaalt het beleid
o Beleid op verschillende niveaus
Internationaal
Europees
Federaal
Vlaams
Lokaal
o Organisaties hebben eigen intern
beleid
2.1. EUROPESE EN INTERNATIONALE SAMENWERKING
o Samenwerking met andere landen rond jeugdwerk en jeugd-kinderrechtenbeleid
in bilaterale context
o Deelname aan verschillende fora waar jeugd en kinderrechten op agenda staan
Verenigde naties
Europese Unie
Raad van Europa
2.1.1. SAMENWERKING IN BILATERALE CONTEXT
o Opwaardering en bevordering van jongerenvrijwilligerswerk in maatschappelijke
middenveldorganisaties in Zuid-Afrika’.
(Jongeren)vrijwilligerswerk is een Vlaamse expertise
Willen de capaciteit ervan versterken in Zuid-Afrikaanse organisaties
Willen de kennis errond versterken in Zuid-Afrikaanse organisaties
Gevolg op lange termijn: kans tot groei en ontwikkeling van jongeren
o Bilateraal = samenwerking tussen twee landen op basis van gelijkwaardigheid
2.1.2. DEELNAME AAN INTERNATIONALE FORA
o Verenigde Naties (VN) of the United Nations (UN)
Internationale organisatie met 193 lidstaten.
2
, Missie: internationale vrede en veiligheid handhaven
Promoot duurzame ontwikkeling en democratie
In het beleid specifiek aandacht voor kinderen, jongeren en kinderrechten
o VN Kinderrechtenverdrag (1989) is het belangrijkste wettelijke instrument dat de
rechten van kinderen op een internationaal bindende manier vastlegt
o Kinderrechtencommissariaat
o Europese Unie
Stimuleert de lidstaten om meer en beter onderling samen te werken over
jeugdthema’s
Geven jongeren en jeugdorganisaties kansen om elkaar te inspireren en
uit te wisselen
3 zaken die ze doen
1. Europese jeugdstrategie
a. Kernthema’s: betrokkenheid, verbondenheid en inspraak
b. 11 thema’s bepaald voor periode 2019 - 2027
c. Verschillende thema’s komen aan bod op de Europese Raad
2. Europese jeugddialoog
a. In alle lidstaten worden meningen van jongeren verzameld en
gerapporteerd
b. Worden meegenomen naar de Europese Jeugdconferentie waar
jongeren en beleidsmakers met elkaar in dialoog gaan
c. Vlaamse Jeugdraad is hiervoor verantwoordelijk
3. Erasmus+ en het Europees solidariteitskorps
a. Erasmus + : EU-programma voor onderwijs, opleiding, jeugd en
sport in Europa
b. Europees solidariteitskorps/European Solidarity Corps (ESC):
jongeren kunnen zich inzetten voor de samenleving in binnen-
of buitenland door vrijwilligerswerk te doen, stage te lopen
2.2. FEDERAAL NIVEAU
o Bevoegdheden beleid wordt gemaakt door overheid
Justitie
Volksgezondheid
Sociale zekerheid
Arbeidsreglementen
Opvang voor asielzoekers
2.3. VLAAMS NIVEAU
Bevoegdheden
Onderwijs en jeugd
Openbare werken en vervoer
Wonen en huisvesting
Cultuur
Taalgebruik
Media
Sport
o Minister van jeugd: Melissa Depraetere
o Minister van Onderwijs: Zuhal Demir
o Jeugd
3
, Jeugddecreet: regelt de ‘instrumenten’ om een Vlaams jeugd- en
kinderrechtenbeleid te voeren en het jeugdwerk te ondersteunen (bv
erkenning van organisaties, subsidiëring)
Decreet vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid: bepaalt hoe het
Jeugd- en Kinderrechtenbeleidsplan (JKP) er uit ziet
Decreet bovenlokaal jeugdwerk: gericht op jeugdwerk dat het lokale
niveau overstijgt
Decreet jeugdverblijven: bepaalt voorwaarden waaraan uitbaters van
jeugdverblijven moeten voldoen
Decreet kadervorming: Bepaalt de voorwaarden voor de erkenning van
kadervormingstrajecten die leiden tot een attest animator, hoofdanimator en
instructeur
o Onderwijs
Decreet over het onderwijs: regelt hoe het kleuter-, lager, secundair, hoger
en volwassenonderwijs wordt georganiseerd
Decreet over leersteun: ter bevordering van inclusief onderwijs
Decreet gelijke onderwijskansen (= GOK-decreet)
Decreet over het flankerend onderwijsbeleid op lokaal niveau
2.4. PROVINCIAAL NIVEAU
o Aanleg en beheer van provinciedomeinen, fietsroutes, wandelpaden
o Beheer van waterwegen en preventie van wateroverlast
o Beheer van natuurgebieden
o Provinciaal beleid voor ruimtelijke ordening en leefmilieu
o Coördinatie van het beleid rond economie, werkgelegenheid in de provincie en
eigen initiatieven
o Crisiscoördinatie op provinciaal niveau bv avondklok
2.5. LOKAAL NIVEAU
o Lokaal = stedelijk/gemeentelijk heel belangrijk bij kinderen
Beleidsdomeinen jeugd en onderwijs
Schepen van jeugd/onderwijs
o Lokale besturen beslissen zelf hoe ze middelen voor lokaal jeugdwerk, jeugdbeleid
en onderwijsbeleid inzetten
Strategisch Meerjarenplan: keuzes van gemeente voor nabije toekomst
Ambtenarij (jeugddienst, vrijetijdsdienst, medewerker onderwijs)
o Jeugddecreet: verplichting tot het installeren van lokale jeugdraad
Garandeert zo inspraak van kinderen en jongeren in lokaal beleid
o De jeugdraad = adviesraad
Samenstelling jeugdraad bevat
Geïnteresseerde jongeren uit de gemeente
Jongeren uit jeugdverenigingen
Jeugdambtenaar
Schepen van jeugd
Jeugdraad probeert jonge ideeën en toekomstplannen mee te geven aan de
schepenen zodat gemeentebestuur hiermee aan de slag kan is niet bindend
Gemeente moet jeugdraad advies geven bij Strategisch Meerjarenplan
o Brede jeugdreflex: leefwereld van kinderen en jongeren gaat breed
Leefwereld van kinderen begint bij uitstek in de gemeente waar ze opgroeien
hoe ouder worden breidt leefwereld uit
4
, Lokaal bestuur moet investeren om ‘jong zijn’ in beeld te brengen voeling bij
wat er leeft bij kinderen en jongeren
Goed lokaal beleid = aangepaste manier van denken in beleidsdomeinen
o 5 rollen voor jeugdwerker
1. Manager
a. Bewaakt en coördineert binnen de administratie van beleid voor
kinderen en jongeren
2. Beleidsmedewerker
a. Jeugdprofessional is inhoudelijke specialist en adviseur
b. Aanspreekpunt voor leidinggevenden, politici, collega’s, organisaties,
burgers
3. Netwerkmanager
a. Bruggenbouwer tussen diensten en mensen veel diensten zijn
betrokken bij beleid van kinderen en jongeren en kunnen er dus een rol
in spelen
4. Jeugdwerker
a. Organiseren, aansturen en uitvoeren van gemeentelijk vrijetijdsaanbod
5. Administratieve kracht
a. Verslag nemen, rapporteren en evalueren
o Flankerend lokaal onderwijsbeleid
Steden en gemeenten scholen versterken door acties te ontwikkelen in
samenwerking met scholen en lokale actoren
Beleid regelt de sociale voordelen die gemeenten kunnen of moeten
toekennen en andere voordelen waar ze scholen mee kunnen ondersteunen
Brugfiguur
2.6. ORGANISATIENIVEAU
o Organisatiebeleid = geeft richting aan het handelen van een organisatie
Missie
Waarom besta je als organisatie
Kernopdracht
5
, En wat doet een organisatie en voor wie
Visie
Waarvoor staat de organisatie
Kernwaarden
Waar gelooft de organisatie in
Strategie
Waarop ze de organisatie in
Doelstellingen
Concrete stappen
3. ONDERWIJS
3.1. STRUCTUUR VAN ONS ONDERWIJS
3.1.1. ONDERWIJSNIVEAUS
o Basisonderwijs
Gewoon kleuteronderwijs
Buitengewoon kleuteronderwijs
Gewoon lager onderwijs
Buitengewoon lager onderwijs
o Secundair onderwijs
Gewoon secundair onderwijs
Buitengewoon secundair onderwijs
o Andere onderwijsniveaus
Hoger onderwijs
Volwassen onderwijs
Deeltijds kunstonderwijs
3.1.1.1. BASISONDERWIJS
o Gewoon kleuteronderwijs
2,5 tot 6 jaar
Leerplicht start pas vanaf kind 5 jaar wordt
Taalscreeningsinstrument KOALA: verplichte taalscreening
Leerlingen met taalachterstand volgen nadien een verplicht
taalintegratietraject + scholen ontvangen hiervoor extra zorguren
In het gewoon kleuteronderwijs kunnen kinderen tussen 2,5 en 3 jaar op 7
momenten starten: op de eerste schooldag na elke vakantieperiode en op de
eerste schooldag van februari
Vanaf 3 jaar kan een kleuter op elk moment van het schooljaar instappen
Moet een kleuter zindelijk zijn?
o Buitengewoon kleuteronderwijs: voor kleuters met specifieke noden die het
gewone lesprogramma niet kunnen volgen
IAC-verslag van het CLB: zorgt voor een leerprogramma op maat van de
kleuter
IAC = individueel aangepast curriculum
6
, CLB = Centrum voor leerlingbegeleiding
Daarin staat welk type expertise het beste bij de kleuter past
Let op: dit is niet bindend! Ouders kunnen toch beslissen om hun kind
gewoon kleuteronderwijs te laten volgen
Scholen voor buitengewoon kleuteronderwijs hebben speciale hulp
voorhanden:
Therapeuten
Opvoeders
Artsen
Orthopedagogen
o Buitengewoon kleuteronderwijs: 7 types, volgens de speciale zorg die de kleuters
nodig hebben:
Type 2: verstandelijke beperking
Type 3: emotionele of gedragsstoornis (zonder verstandelijke beperking)
Type 4: motorische beperking
Type 5: kinderen in een ziekenhuis, preventorium of residentiële setting
Type 6: visuele beperking
Type 7: auditieve beperking, spraak- of taalstoornis
Type 9: autismespectrumstoornis (zonder verstandelijke beperking)
o Wat na het buitengewoon kleuteronderwijs
kind dat 6 jaar wordt voor 1 januari van het lopende schooljaar kan nog 2
schooljaren buitengewoon kleuteronderwijs volgen
kind kan overstappen naar het gewoon lager onderwijs, maar kan ook naar het
buitengewoon lager onderwijs overstappen
Ouders beslissen hier zelf over, best in overleg met de school en het CLB
o Gewoon lager onderwijs
Volgt op de kleuterschool kinderen leren lezen, schrijven en rekenen, maar
er is ook aandacht voor lichaamsbeweging, muzikale vorming, ICT, techniek en
wetenschap
Is bedoeld voor kinderen van 6 tot 12j
Omvat meestal 6 aaneensluitende leerjaren
o Buitengewoon lager onderwijs (BULO) voor leerlingen met specifieke zorgnoden
IAC-verslag van het CLB: zorgt voor een leerprogramma op maat van de
leerling
IAC: individueel aangepast curriculum
CLB: Centrum voor leerlingbegeleiding
Daarin staat welk type expertise het beste bij de leerling past
Let op: dit is niet bindend! Ouders kunnen toch beslissen om hun kind
gewoon lager onderwijs te laten volgen
Scholen voor buitengewoon lager onderwijs hebben speciale hulp voorhanden:
Therapeuten
Opvoeders
Artsen
Orthopedagogen
8 types
Type basisaanbod: voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften voor
wie het gemeenschappelijk curriculum met redelijke aanpassingen niet
haalbaar is in een school voor gewoon onderwijs
Type 2: verstandelijke beperking
Type 3: emotionele of gedragsstoornis (zonder verstandelijke beperking)
Type 4: motorische beperking
7
, Type 5: kinderen in een ziekenhuis, preventorium of residentiële setting
Type 6: visuele beperking
Type 7: auditieve beperking, spraak- of taalstoornis
Type 9: autismespectrumstoornis (zonder verstandelijke beperking)
o Redelijke aanpassingen
school past, waar nodig, redelijke aanpassingen toe om hindernissen voor
leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften weg te nemen lessen
toegankelijk voor iedereen
Redelijke aanpassingen bestaan uit ReDiCoDis-maatregelen
Remediërende maatregelen: leerlingen individueel helpen door
herhalingsoefeningen, extra uitleg, extra tijd om iets af te werken, extra
uitdaging bieden
Differentiërende maatregelen: leerstof en lesaanpak afwisselen door
leerstof visueel, auditief, zeer praktisch aan te bieden
Compenserende maatregelen: hulpmiddelen toelaten door
voorleesprogramma, spraakherkenning, koptelefoon toe te laten
Dispenserende maatregelen: vrijstellingen van bepaalde leerstof
toelaten, ze niet laten meedoen aan bepaalde sportactiviteiten,
rekenmachine gebruiken bij het hoofdrekenen
o Type basisaanbod
voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften voor wie het
gemeenschappelijk curriculum met redelijke aanpassingen niet haalbaar is
in een school voor gewoon onderwijs
Er zijn teveel aanpassingen nodig in het gewoon lager onderwijs om het
normale lespakket te volgen
Hoe pakt men dit aan? bv:
Niveaugroepen wiskunde, hulpmiddelen zoals een rekenkaart of –
machine
Aanleren van oplossingsstrategieën zoals stappenplannen, werkvormen
op maat
Extra zorg voor lezen en schrijven
Aangepast klasklimaat waar men optimaal kan leren
o Wat na buitengewoon lager onderwijs
Een leerling blijft maximaal 9 jaar in het lager onderwijs
Als de leerling 13 jaar is, kijkt de klassenraad of les volgen in het lager
onderwijs nog zinvol is geeft dan advies aan de ouders en zij beslissen
Op 14jaar gebeurt dit opnieuw
Op 15 jaar kan je niet meer in het lager onderwijs blijven
Je kan aansluiten bij het gewoon secundair onderwijs of kiezen voor het
buitengewoon secundair onderwijs
3.1.1.2. SECUNDAIR ONDERWIJS
Met de vernieuwing van het secundair onderwijs wil men inzetten op een
geleidelijke studiekeuze:
1e graad: nadruk op oriëntering de term ‘brede eerste graad’
2e graad: relatief brede studiekeuze
3e graad: studierichtingen zijn scherper geprofileerd dan die van de 2 e
graad met het oog op gerichte en succesvolle instroom in het hoger
onderwijs of op de arbeidsmarkt
1e graad (1e en 2e leerjaar)
8
, De 1ste graad van secundair onderwijs dient als
algemene vorming niet (meer) opgedeeld in de
onderwijsvormen (ASO, TSO, BSO, KSO)
= brede vorming
Het 1ste leerjaar van de 1ste graad is opgesplitst
in het 1ste leerjaar A (ook wel A-stroom) en 1ste
leerjaar B (B-stroom)
A-stroom: De meeste leerlingen volgen het 1ste leerjaar A
Leerlingen volgen voor een groot deel dezelfde vakken
Paar uur per week kunnen de leerlingen keuzevakken volgen
Je start automatisch in 1A als je je getuigschrift in basisonderwijs
hebt behaald
B-stroom: Het 1ste leerjaar B is bedoeld voor leerlingen die liever al
doende leren, of leerlingen die een leerachterstand hebben opgelopen
Leerlingen die het 1ste leerjaar B hebben voltooid, kunnen starten
in het 1ste leerjaar A (ook wel opstroomoptie of zalmprincipe
genoemd), of het beroepsvoorbereidend jaar
Je start automatisch in 1B
als je je getuigschrift
basisonderwijs niet hebt
behaald
o 1ste leerjaar van 1ste graad (A en B-stroom)
27 lestijden voorzien voor
basisvorming en 5 lestijden naar verschillende differentiatiemogelijkheden /
keuzegedeelte
Basisvorming houdt in:
Basisgeletterdheid: minimumvereisten voor basiscompetenties, zoals
wiskundige en digitale geletterdheid en Nederlands, te bereiken door
elke leerling op het einde van de 1ste graad (A en B)
Minimumdoelen: doelen moeten door de meeste leerlingen behaald
worden tegen het einde van 1ste graad
Uitbreidingsdoelen: onderwijsdoelen die een groter abstractieniveau
hebben of hogere moeilijkheidsgraad en zoveel mogelijk leerlingen
behaald worden
Differentiatiegedeelte/keuzegedeelte: bedoeld om te remediëren
en te verdiepen + school richt zelf in
5 differentiatie-uren per week
Bedoeld om:
Verkennen: proeven van nieuwe zaken
Verdiepen: extra leerstof en uitdaging aanbieden
Versterken (remediëring): bijwerken bij moeilijkheden, herhaling
Overgang na 1A en 1B
Na 1ste leerjaar B naar het 1ste leerjaar A
Uitzonderlijk naar 2A toestemming nodig van
school
9
, o 2de leerjaar van 1ste graad is opgesplitst
2de leerjaar A
25 u basisvorming
2 u differentiatie
5 u voor basisoptie of pakket in basisoptie (= basisoptie zijn extra
vakken om interesses in een studiegebied te verkennen)
Basisoptie bv. klassieke talen
Pakket: latijn is pakket binnen basisoptie klassieke talen
2de leerjaar B
20 u basisvorming
2 u differentiatie
10 u basisopties en pakketten in basisoptie
Basisoptie: bv. STEM-technieken
Pakket: bouw, hout, mechanica (pakket binnen STEM-technieken)
o 2de graad en 3de graad
3 finaliteiten
Arbeidsmarktfinaliteit:
studierichtingen die praktijkgericht zijn
+ leerlingen worden max. voorbereid
op arbeidsmarkt
Na 6de jaar kan je
graduaatopleiding doen
Dubbele finaliteit: studierichting zijn
praktijkgericht en theoretisch gericht
+ bereiden leerlingen op professionele
bacheloropleidingen,
graduaatsopleidingen en op
arbeidsmarkt
Doorstroomfinaliteit: abstract-theoretische studierichtingen en bereiden
voor op het hoger onderwijs
8 domeinen
o 3de graad succesvol afgerond
In arbeidsmarktfinaliteit
Diploma secundair onderwijs onderwijskwalificatie niveau 3 =
OK3
Diploma bevat beroeps- en evt. deelkwalificaties
In doorstroomfinaliteit of dubbel finaliteit
Diploma secundair onderwijs onderwijskwalificatie niveau 4 =
OK4
Dubbele finaliteit: ook beroeps- en evt deelkwalificaties
Beroeps- en deelkwalificatie (BK en DK)
BK: omschrijft wat je moet kennen en kunnen om bepaald beroep uit te
oefenen
DK: deel van BK dat relevant is voor arbeidsmarkt
o 3de graad (7de leerjaar) na BSO/OK3
Mogelijkheid om in 3de graad nog een derde jaar te volgen (verschillende
soorten)
Wijziging vanaf 2025 – 2026
o 3de graad (7de leerjaar) tot schooljaar 2024 – 2025
10