Hoofdstuk 9: Transcriptieregeling bij
eukaryoten
1. Inleiding
Promotorsequentie = intensiteit van TXN (sterkte):
Een gen dat veel tot transcriptie komt heeft meer mRNA, er
kan meer translatie gebeuren dan een gen dat veel minder
tot expressie komt. De regeling van die genexpressie van
transcriptie gebeurt ter hoogte van de promotor. Deze
bepaald waar de transcriptie start en de intensiteit. Er zijn verschillende
consensussequenties die de eiwitten kunnen herkennen en dan RNApol
kunnen rekruteren, als de sequenties hard afwijken gaan de eiwitten
moeite hebben om de promotor te herkennen en wordt er minder RNApol
gerekruteerd.
Chromosomenkaart van de mens:
Om de chromosomen in kaart te brengen neem je de WBC van iemand en
laat je ze stoppen in de metafase, want dan zijn de chromosomen heel
sterk geconcentreerd. AT rijke stukken zullen meer gekleurd worden en
daardoor krijg je een banden structuur.
2. Hetero- en euchromatine
Ontdekking van translocaties:
Er is een uitwisseling gebeurt tussen de uiteindes. Op chromosoom 14 zit
nl. een gen dat codeert voor immunoglobulines. Die promotor moet heel
actief zijn (om ons te beschermen voor ziektes) maar door die translocatie
komt het wick gen dat instaat voor de controle van celcyclus ineens onder
controle van de promotor van immunoglobuline. Het wick gen wordt nu
heel actief, er wordt heel veel wick gemaakt en daardoor gaat die cel
blijven delen.
DNA in de kern van een gedifferentieerde lichaamscel:
chromatine:
Op de chromosomen zien we niet enkel DNA, maar DNA gecombineerd
met eiwitten= chromatine. Heterochromatine zijn donkere delen,
euchromatine lichte delen.
Onder bepaalde omstandigheden gaat het DNA gaat zich meer ontpakken
en dan krijgen we allemaal bolletjes op een streng (pater noster). Dat is
DNA dat steeds gewonden is rond een eiwitkern DNA komt binnen in de
nucleosoom, wikkelt zich daar 2 keer rond en verlaat het weer. Het DNA
49
, rond het nucleosoom is steeds 146 baseparen lang, ertussen zitten
ongeveer 50 baseparen en het eiwit bestaat uit 8 histonen (octameer). Die
histonen zijn + geladen.
De histonen hebben een specifieke structuur; de histon fold 3 a-helices
waarvan de middelste iets groter is dan de anderen. Die helices gaan met
elkaar associëren doordat de kleine bovenop de grote komen liggen.
Meerdere zo’n complexen gaan met elkaar associëren; een histon
handshake is de binding tussen twee histon-eiwitten via
hun a-helices. Deze helices passen in elkaar zoals een
handdruk en vormen zo stabiele histonparen. Deze
dimeren gaan nog is met elkaar interageren tot ze met 8
zijn. Deze interacties zijn belangrijk voor de vorming van
nucleosomen, waar DNA omheen wordt gewikkeld om
compact opgeslagen te worden in de celkern. Er zijn ook
nog de histonstaarten die uit het nucleosoom steken.
Hogere vormen van packing van chromatine:
De draadvormige structuur die bestaat uit histonen die een cirkelvormige
en enkelvoudige beweging tegelijk maken en dan krijgen we een
solenoïde. Die solenoïde gaat contact maken met de matrix en uitstulpen
en terugkomen, dit is een fiber. Dit kan nog is gaan kronkelen en dat vormt
nog een grotere fiber, dit is de hoogste vorm van packing. Het
heterochromatine komt overeen met die hoogste delen van
packing, het euchromatine met de lichtere delen.
In het heterochromatine zitten genen die niet tot expressie kunnen
komen, ze zijn zo hard verpakt dat ze onleesbaar zijn. Die van
euchromatine kunnen wel tot expressie komen. Ongeveer 10% van
ons genoom zit altijd in heterochromatine (die moeten nooit tot
expressie komen. Er zit ook steeds 10% euchromatine (belangrijke
genen die altijd tot expressie moeten komen).
De positie van een gen kan variabiliteit in expressie niveau
verklaren:
Polytene of reuzechromosomen van Drosophila:
De cel gaat die delen en daarbij gaan die chromosomen parallel
blijven liggen waardoor ze zichtbaar worden. Dit zijn polytene
chromosomen. Sterk gecondenseerde delen gaan dan zichtbaar
worden in het zwart, de rest in het grijs. Er zijn ook dikkere grijze
delen die uitsteken, dit is een puff.
Deze puffs zijn gecorreleerd met actieve transcriptie, dit weet men
door RNApol II (staat in voor expressie van eiwitgenen). Het heeft
een carboxyterminaaldomein dat bestaat uit herhalingen (ISPTSTS).
50
eukaryoten
1. Inleiding
Promotorsequentie = intensiteit van TXN (sterkte):
Een gen dat veel tot transcriptie komt heeft meer mRNA, er
kan meer translatie gebeuren dan een gen dat veel minder
tot expressie komt. De regeling van die genexpressie van
transcriptie gebeurt ter hoogte van de promotor. Deze
bepaald waar de transcriptie start en de intensiteit. Er zijn verschillende
consensussequenties die de eiwitten kunnen herkennen en dan RNApol
kunnen rekruteren, als de sequenties hard afwijken gaan de eiwitten
moeite hebben om de promotor te herkennen en wordt er minder RNApol
gerekruteerd.
Chromosomenkaart van de mens:
Om de chromosomen in kaart te brengen neem je de WBC van iemand en
laat je ze stoppen in de metafase, want dan zijn de chromosomen heel
sterk geconcentreerd. AT rijke stukken zullen meer gekleurd worden en
daardoor krijg je een banden structuur.
2. Hetero- en euchromatine
Ontdekking van translocaties:
Er is een uitwisseling gebeurt tussen de uiteindes. Op chromosoom 14 zit
nl. een gen dat codeert voor immunoglobulines. Die promotor moet heel
actief zijn (om ons te beschermen voor ziektes) maar door die translocatie
komt het wick gen dat instaat voor de controle van celcyclus ineens onder
controle van de promotor van immunoglobuline. Het wick gen wordt nu
heel actief, er wordt heel veel wick gemaakt en daardoor gaat die cel
blijven delen.
DNA in de kern van een gedifferentieerde lichaamscel:
chromatine:
Op de chromosomen zien we niet enkel DNA, maar DNA gecombineerd
met eiwitten= chromatine. Heterochromatine zijn donkere delen,
euchromatine lichte delen.
Onder bepaalde omstandigheden gaat het DNA gaat zich meer ontpakken
en dan krijgen we allemaal bolletjes op een streng (pater noster). Dat is
DNA dat steeds gewonden is rond een eiwitkern DNA komt binnen in de
nucleosoom, wikkelt zich daar 2 keer rond en verlaat het weer. Het DNA
49
, rond het nucleosoom is steeds 146 baseparen lang, ertussen zitten
ongeveer 50 baseparen en het eiwit bestaat uit 8 histonen (octameer). Die
histonen zijn + geladen.
De histonen hebben een specifieke structuur; de histon fold 3 a-helices
waarvan de middelste iets groter is dan de anderen. Die helices gaan met
elkaar associëren doordat de kleine bovenop de grote komen liggen.
Meerdere zo’n complexen gaan met elkaar associëren; een histon
handshake is de binding tussen twee histon-eiwitten via
hun a-helices. Deze helices passen in elkaar zoals een
handdruk en vormen zo stabiele histonparen. Deze
dimeren gaan nog is met elkaar interageren tot ze met 8
zijn. Deze interacties zijn belangrijk voor de vorming van
nucleosomen, waar DNA omheen wordt gewikkeld om
compact opgeslagen te worden in de celkern. Er zijn ook
nog de histonstaarten die uit het nucleosoom steken.
Hogere vormen van packing van chromatine:
De draadvormige structuur die bestaat uit histonen die een cirkelvormige
en enkelvoudige beweging tegelijk maken en dan krijgen we een
solenoïde. Die solenoïde gaat contact maken met de matrix en uitstulpen
en terugkomen, dit is een fiber. Dit kan nog is gaan kronkelen en dat vormt
nog een grotere fiber, dit is de hoogste vorm van packing. Het
heterochromatine komt overeen met die hoogste delen van
packing, het euchromatine met de lichtere delen.
In het heterochromatine zitten genen die niet tot expressie kunnen
komen, ze zijn zo hard verpakt dat ze onleesbaar zijn. Die van
euchromatine kunnen wel tot expressie komen. Ongeveer 10% van
ons genoom zit altijd in heterochromatine (die moeten nooit tot
expressie komen. Er zit ook steeds 10% euchromatine (belangrijke
genen die altijd tot expressie moeten komen).
De positie van een gen kan variabiliteit in expressie niveau
verklaren:
Polytene of reuzechromosomen van Drosophila:
De cel gaat die delen en daarbij gaan die chromosomen parallel
blijven liggen waardoor ze zichtbaar worden. Dit zijn polytene
chromosomen. Sterk gecondenseerde delen gaan dan zichtbaar
worden in het zwart, de rest in het grijs. Er zijn ook dikkere grijze
delen die uitsteken, dit is een puff.
Deze puffs zijn gecorreleerd met actieve transcriptie, dit weet men
door RNApol II (staat in voor expressie van eiwitgenen). Het heeft
een carboxyterminaaldomein dat bestaat uit herhalingen (ISPTSTS).
50