NEDERLANDS 2
1. HOOFDSTUK 1: INLEIDING
- NIET KENNEN
- Enkel leerdoelen bekijken op pagina 5
2. HOOFDSTUK 2: TAALVERWERVING BIJ TWEE – EN MEERTALIGE KLEUTERS
2.1. DE NOODZAAK VAN INZICHT IN MEERTALIGHEID VOOR
KLEUTERONDERWIJZERS
- In het Vlaamse basisonderwijs heeft gemiddeld ¼ een andere thuistaal. De kans is dus groot dat
je per schooljaar minimaal 1 kind in je klas hebt die het Nederlands als 2 de taal heeft. Er zullen
nog altijd grote verschillen zijn tussen leerlingen wat betreft hun taalvaardigheid. (kinderen in
kansarmoede: lagere aanvangstaalvaardigheid.)
- Het is belangrijk dat je weet hoe je taalzwakke kleuters zo optimaal mogelijk kunt
ondersteunen en zo hun taalontwikkeling kan stimuleren.
Als KO moet je dus kennis opbouwen over meertaligheid.
2.2. HOE MEERTALIG BEN JIJ
Iedereen is meertalig, meertalig gaat niet strikt om verschillende talen maar ook om: dialect,
tussentaal, chattaal, lichaamstaal, gebarentaal, …
- Elk individu ontwikkeld gedurende zijn hele leven een persoonlijk taalrepertoire.
2.3. WAT IS NORMAAL OF NIET NORMAAL
Voorbeeld: (cursus pagina 10)
- “Amir spreekt Frans met zijn vader en Marokkaans-Arabisch met zijn moeder. Hij kwam samen
met zijn ouders in België wonen op de leeftijd van vier jaar. Hij start meteen met het Vlaamse
kleuteronderwijs. Is het normaal dat Amir na zes maanden in de tweede kleuterklas nog steeds
weigert om Nederlands te spreken?”
o Normaal : Amir bevindt zich in de stille periode. Deze kan tot 1 jaar na het eerste
contact met de nieuwe taal duren.
Taalverwerving bij eentalige kinderen:
- Vereenvoudingsproces of ontwijkstrategie:
o Het kind zal klanken laten vallen, beginklinkers verwisselen, zoals het woord ‘mek’ in
plaats van ‘melk’. Hier laat het kind de medeklinker l vallen. Hij ontwijkt deze klank.
(Fonologie – klankleer)
- Overgeneralisatie:
o Het kind krijgt beginnend inzicht en gaat een regel van bv. meervoud op –en. Hij past
dit toe op uitzonderingen, alle andere woorden.
o Vb. mensen auto’en in plaats van auto’s
Pagina | 1
,2.4. DE TAALVERWERVING VAN MEERTALIGE KINDEREN
2.4.1. DEFINITIE MEERTALIGHEID
“Individuen worden meertalig genoemd als ze de competentie hebben om meer dan één taal te
begrijpen en te produceren, of als zij van meerdere talen regelmatig gebruikmaken. Individuen
kunnen competent zijn op verschillende niveaus, dus niet alle talen hoeven even sterk verworven te
zijn” (Van den Branden, 2010).
2.4.2. SIMULTANE EN SUCCESSIEVE TAALVERWERVING
Taalverwerving = grillig en individueel proces.
Het kan volgens 2 processen verlopen: simultane en successieve taalverwerving.
- Simultane taalverwerving: vanaf de geboorte 2 talen tegelijk
- Successieve taalverwerving: eerst één thuistaal, pas later (bv. vanaf schoolleeftijd) een tweede
taal
2.4.2.1. SIMULTANE TAALVERWERVING
Leerproces van simultane taalverwerving:
- Vanaf de geboorte meerdere talen leren en komen systematisch met deze talen in contact.
- Deze kinderen ontwikkelen voor elke taal een apart taalsysteem.
Simultane taalverwerving volgt in grote lijnen de 4 fases die kinderen doorlopen bij het verwerven
van hun moedertaal.
2.4.2.2. SUCCESSIEVE TAALVERWERVING
Leerproces van successieve taalverwerving:
- Vanaf de geboorte 1 thuistaal, pas later contact met de tweede taal.
- Anderstalige nieuwkomers: kinderen leren de taal het beste al doende.
Pagina | 2
, o Anderstalige nieuwkomers voor de leeftijd van zes jaar komen meteen in het
kleuteronderwijs terecht.
o Ook in het basisonderwijs komen ze terecht in een gewone klas.
o In het secundair krijgen anderstalige nieuwkomers een taalaanbod Nederlands in
aparte klassen. (OKAN-klassen)
- Bij het verwerven van de moedertaal doorlopen de kinderen de 4 fases.
o Maar bij het verwerven van de tweede taal kunnen deze successief meertalige
kinderen enkele stappen overslaan.
o Ze bouwen dan verder op de gemeenschappelijke kenmerken van taal, er gebeurt
dus een transfer.
We onderscheiden volgende stappen:
2.4.3. HET BELANG VAN DE MOEDERTAAL IN HET TAALVERWERVINGSPROCES VAN
TWEETALIGE KINDEREN
Het ijsbergmodel van Jim Cummins toont aan dat de moedertaal niet in de weg zit bij het leren van
het Nederlands.
- Tweetalige kinderen zullen soms wat meer moeite hebben om op een woord te komen, dit
komt omdat ze twee taalsystemen in hun hoofd hebben.
- Deze twee systemen zijn niet van elkaar gescheiden, ze overlappen gedeeltelijk.
Pagina | 3
, Verschillende bergen:
- De twee ijsbergen op de afbeelding verbeelden de talen waarmee tweetalige kinderen
opgroeien. Dit kunnen ook drie of meerdere ijsbergen zijn, afhankelijk van het aantal talen
waarmee men opgroeit.
Hoge en lage toppen:
- Niet alle toppen zijn automatisch even hoog of groot, zij blijven in het leven van de
taalgebruiker ook niet altijd even groot. Dit is afhankelijk van leren en gebruik.
Een centraal kennisreservoir:
- De input van alle talen komt terecht in één gemeenschappelijk kennisreservoir.
- Bij het leren van een tweede taal bouwt een kind dus verder op de kennis die het al heeft
opgedaan in de eerste taal. Daarom is het belangrijk dat ouders met hun kinderen de taal
spreken die ze zelf het beste beheersen.
- Dit kennisreservoir ondersteunt ook complexe cognitieve vaardigheden, zoals abstract
denken en leren, ongeacht in welke taal die plaatsvinden. Door de moedertaal toe te laten in
de klas, bijvoorbeeld om iets uit te leggen, kunnen kinderen hun bestaande kennis activeren
en beter leren. Zo wordt hun volledige taalkennis benut om het centrale kennisreservoir te
verrijken.
2.4.4. HOE KOMT HET DAT DE TAALVERWERVING BIJ SOMMIGE KINDEREN SNELLER OF
TRAGER VERLOOPT?
Er zijn verschillende factoren:
1) Individuele factoren:
- Leeftijd: jongere kinderen leren vlotter.
- Karakter: sociale kinderen verwerven sneller taal dan verlegen kinderen.
- Taalaanleg en cognitieve capaciteiten spelen ook een rol.
- Sociaaleconomische achtergrond: kansarme kinderen hebben vaak een beperktere
woordenschat in de moedertaal, wat het leerproces beïnvloedt.
Pagina | 4
1. HOOFDSTUK 1: INLEIDING
- NIET KENNEN
- Enkel leerdoelen bekijken op pagina 5
2. HOOFDSTUK 2: TAALVERWERVING BIJ TWEE – EN MEERTALIGE KLEUTERS
2.1. DE NOODZAAK VAN INZICHT IN MEERTALIGHEID VOOR
KLEUTERONDERWIJZERS
- In het Vlaamse basisonderwijs heeft gemiddeld ¼ een andere thuistaal. De kans is dus groot dat
je per schooljaar minimaal 1 kind in je klas hebt die het Nederlands als 2 de taal heeft. Er zullen
nog altijd grote verschillen zijn tussen leerlingen wat betreft hun taalvaardigheid. (kinderen in
kansarmoede: lagere aanvangstaalvaardigheid.)
- Het is belangrijk dat je weet hoe je taalzwakke kleuters zo optimaal mogelijk kunt
ondersteunen en zo hun taalontwikkeling kan stimuleren.
Als KO moet je dus kennis opbouwen over meertaligheid.
2.2. HOE MEERTALIG BEN JIJ
Iedereen is meertalig, meertalig gaat niet strikt om verschillende talen maar ook om: dialect,
tussentaal, chattaal, lichaamstaal, gebarentaal, …
- Elk individu ontwikkeld gedurende zijn hele leven een persoonlijk taalrepertoire.
2.3. WAT IS NORMAAL OF NIET NORMAAL
Voorbeeld: (cursus pagina 10)
- “Amir spreekt Frans met zijn vader en Marokkaans-Arabisch met zijn moeder. Hij kwam samen
met zijn ouders in België wonen op de leeftijd van vier jaar. Hij start meteen met het Vlaamse
kleuteronderwijs. Is het normaal dat Amir na zes maanden in de tweede kleuterklas nog steeds
weigert om Nederlands te spreken?”
o Normaal : Amir bevindt zich in de stille periode. Deze kan tot 1 jaar na het eerste
contact met de nieuwe taal duren.
Taalverwerving bij eentalige kinderen:
- Vereenvoudingsproces of ontwijkstrategie:
o Het kind zal klanken laten vallen, beginklinkers verwisselen, zoals het woord ‘mek’ in
plaats van ‘melk’. Hier laat het kind de medeklinker l vallen. Hij ontwijkt deze klank.
(Fonologie – klankleer)
- Overgeneralisatie:
o Het kind krijgt beginnend inzicht en gaat een regel van bv. meervoud op –en. Hij past
dit toe op uitzonderingen, alle andere woorden.
o Vb. mensen auto’en in plaats van auto’s
Pagina | 1
,2.4. DE TAALVERWERVING VAN MEERTALIGE KINDEREN
2.4.1. DEFINITIE MEERTALIGHEID
“Individuen worden meertalig genoemd als ze de competentie hebben om meer dan één taal te
begrijpen en te produceren, of als zij van meerdere talen regelmatig gebruikmaken. Individuen
kunnen competent zijn op verschillende niveaus, dus niet alle talen hoeven even sterk verworven te
zijn” (Van den Branden, 2010).
2.4.2. SIMULTANE EN SUCCESSIEVE TAALVERWERVING
Taalverwerving = grillig en individueel proces.
Het kan volgens 2 processen verlopen: simultane en successieve taalverwerving.
- Simultane taalverwerving: vanaf de geboorte 2 talen tegelijk
- Successieve taalverwerving: eerst één thuistaal, pas later (bv. vanaf schoolleeftijd) een tweede
taal
2.4.2.1. SIMULTANE TAALVERWERVING
Leerproces van simultane taalverwerving:
- Vanaf de geboorte meerdere talen leren en komen systematisch met deze talen in contact.
- Deze kinderen ontwikkelen voor elke taal een apart taalsysteem.
Simultane taalverwerving volgt in grote lijnen de 4 fases die kinderen doorlopen bij het verwerven
van hun moedertaal.
2.4.2.2. SUCCESSIEVE TAALVERWERVING
Leerproces van successieve taalverwerving:
- Vanaf de geboorte 1 thuistaal, pas later contact met de tweede taal.
- Anderstalige nieuwkomers: kinderen leren de taal het beste al doende.
Pagina | 2
, o Anderstalige nieuwkomers voor de leeftijd van zes jaar komen meteen in het
kleuteronderwijs terecht.
o Ook in het basisonderwijs komen ze terecht in een gewone klas.
o In het secundair krijgen anderstalige nieuwkomers een taalaanbod Nederlands in
aparte klassen. (OKAN-klassen)
- Bij het verwerven van de moedertaal doorlopen de kinderen de 4 fases.
o Maar bij het verwerven van de tweede taal kunnen deze successief meertalige
kinderen enkele stappen overslaan.
o Ze bouwen dan verder op de gemeenschappelijke kenmerken van taal, er gebeurt
dus een transfer.
We onderscheiden volgende stappen:
2.4.3. HET BELANG VAN DE MOEDERTAAL IN HET TAALVERWERVINGSPROCES VAN
TWEETALIGE KINDEREN
Het ijsbergmodel van Jim Cummins toont aan dat de moedertaal niet in de weg zit bij het leren van
het Nederlands.
- Tweetalige kinderen zullen soms wat meer moeite hebben om op een woord te komen, dit
komt omdat ze twee taalsystemen in hun hoofd hebben.
- Deze twee systemen zijn niet van elkaar gescheiden, ze overlappen gedeeltelijk.
Pagina | 3
, Verschillende bergen:
- De twee ijsbergen op de afbeelding verbeelden de talen waarmee tweetalige kinderen
opgroeien. Dit kunnen ook drie of meerdere ijsbergen zijn, afhankelijk van het aantal talen
waarmee men opgroeit.
Hoge en lage toppen:
- Niet alle toppen zijn automatisch even hoog of groot, zij blijven in het leven van de
taalgebruiker ook niet altijd even groot. Dit is afhankelijk van leren en gebruik.
Een centraal kennisreservoir:
- De input van alle talen komt terecht in één gemeenschappelijk kennisreservoir.
- Bij het leren van een tweede taal bouwt een kind dus verder op de kennis die het al heeft
opgedaan in de eerste taal. Daarom is het belangrijk dat ouders met hun kinderen de taal
spreken die ze zelf het beste beheersen.
- Dit kennisreservoir ondersteunt ook complexe cognitieve vaardigheden, zoals abstract
denken en leren, ongeacht in welke taal die plaatsvinden. Door de moedertaal toe te laten in
de klas, bijvoorbeeld om iets uit te leggen, kunnen kinderen hun bestaande kennis activeren
en beter leren. Zo wordt hun volledige taalkennis benut om het centrale kennisreservoir te
verrijken.
2.4.4. HOE KOMT HET DAT DE TAALVERWERVING BIJ SOMMIGE KINDEREN SNELLER OF
TRAGER VERLOOPT?
Er zijn verschillende factoren:
1) Individuele factoren:
- Leeftijd: jongere kinderen leren vlotter.
- Karakter: sociale kinderen verwerven sneller taal dan verlegen kinderen.
- Taalaanleg en cognitieve capaciteiten spelen ook een rol.
- Sociaaleconomische achtergrond: kansarme kinderen hebben vaak een beperktere
woordenschat in de moedertaal, wat het leerproces beïnvloedt.
Pagina | 4