Fundamentele wijsbegeerte
Hoofdstuk 1: wijsbegeerte binnen de antieke bestaanshorizon
Natuurfilosofen
= de eerste filosofen
Zij houden zich bezig met natuurverklaring en kosmologie
Natuurverklaring: natuur wordt bestudeerd als organisme dat zichzelf in stand
houdt (ze wordt dus verklaard vanuit principes die zelf onderdeel zijn van die
natuur)
Geen externe factoren of bovennatuurlijke krachten
Kosmologie: orde die in de natuur aanwezig is op een rationele manier
uitleggen
Kosmos is een rationeel geordende logos (logisch geordend geheel)
Wat men blootlegt a.d.h.v. logisch denken is een logica die in de natuur
aanwezig is
Natuurfilosofen gaan opzoek naar het oerbeginsel waaruit de hele werkelijkheid
bestaat
Heraclitus (6e eeuw v.C.)
= de wereld is onderhevig aan een permanente flux
Dankzij voortdurende verandering kan de wereld als kosmos bestaan
“Oorlog is de vader van alle dingen”: de harmonie van de kosmos is het resultaat
van de spanning tussen tegengestelden (warm/koud, nat/droog, dag/nacht …)
Parmenides (6e – 5e eeuw v.C.)
= eerste die het zijnde op zichzelf thematiseert
Tegenpool van Heraclitus
Er zijn 2 mogelijke wegen:
1. Dat het is en dat het onmogelijk is dat het niet is
2. Dat het niet is en dat het noodzakelijk is dat het niet is
= onverzoenbaar maar de gewone mens denkt dat beide wegen openliggen
Parmenides kiest de eerste weg want als men kan spreken of denken over iets
betekent dat dat het voorwerp op een manier moet bestaan (= het zijnde)
Het zijnde is:
1. Eeuwig en onvergankelijk: kan niet ontstaan zijn en niet vergaan
2. Ondeelbaar: het is of het is niet, er zijn geen gradaties
3. Onbeweeglijk en begrensd: absoluut gescheiden van het niet zijnde
4. Volmaakt: het is geen resultaat van een wordingsproces
1
, 5. Bolvormig: overal in alle richtingen identiek
Kritiek van Aristoteles op Parmenides
Volgens Aristoteles behoort de analyse van het zijnde van Parmenides niet tot
fysica, maar tot metafysica
Fysica: studie van concrete veranderlijke wereld
Metafysica: studie van onvergankelijke principes waaraan die veranderlijke
wereld beantwoordt
Sofisten
= rondtrekkende leraars die tegen betaling vorming en kennis aanreiken om het
eigen handelen te legitimeren
Onderwijzen de retoriek (overtuigend spreken) en de kunst van het
debatteren
Gelijk krijgen is belangrijker dan gelijk hebben
Logos wordt puur gebruikt als machtsmiddel om anderen te overtuigen
Sofisme leidt tot een kloof tussen kennis en wijsheid
Sofisten worden gezien als opportunisten: de kunst van het woord staat ten
dienste van streven naar macht
Protagoras (5e eeuw v.C.)
= uitzondering op sofisme: wordt gezien als een gefundeerde relativist
Stelt dat er geen kennis van ultieme waarheid mogelijk is
Dingen zijn zoals ze aan mij verschijnen (vandaar de nood om anderen te
overtuigen)
Realisten
Socrates (5e eeuw v.C.)
= zet zich af tegen het sofisme
Moreel handelen moet gebaseerd zijn op inzicht in de ware betekenis van
begrippen
Logos mag geen machtsmiddel zijn
Kritiek van Socrates roept de traditionele moraal (het idee dat morele
grootheid = uitblinken boven anderen) tot de orde
Ons handelen kan alleen moreel goed zijn als het vanuit de juiste innerlijke
overtuigingen en motieven komt
Filosofie onderscheidt zich door nooit louter alleen beroep te doen op retoriek
Inzicht is het belangrijkste: alleen wie echt begrijpt wat goed is zal ook goed
handelen
2
,Methode
= dialoog als methode voor het verwerven van inzicht
Socrates gebruikt ironie om zijn gesprekspartners tot reflectie te dwingen
Vanuit onwetendheid (hij doet alsof hij niets weet en stelt slimme vragen)
brengt hij hen ertoe om hun eigen kennis/kunde onder woorden te brengen
Plato (5e – 4e eeuw v.C.)
= leerling van Socrates die de thematiek verruimt en ethiek kadert binnen de
hele werkelijkheid
2 vernieuwingen in ethiek:
1. Zielsleer
2. Het inzichtelijke
De zielsleer
De Grieken zagen de ziel als het principe van leven
Zij hadden de ziel al enkele eigenschappen toegekend:
1. Is de zetel van kennis
2. Onsterfelijk
3. Gaat over van het ene lichaam in het andere in een cyclus van
wedergeboorte
Plato neemt dit over maar maakt de ziel ondergeschikt aan een ander
uitganspunt
= de ziel is de kern van onze persoonlijkheid
Delen van de ziel:
1. Redelijke deel = deugd van de verstandigheid
2. Vurige deel = deugd van de dapperheid
3. Verlangende deel = deugd van de zelfbeheersing
Harmonie tussen de 3 delen is de deugd van de rechtvaardigheid
Dit is de bron van morele goedheid
Het inzichtelijke
Inzicht/kennis gaat over het zijn (Parmenides) = het stabiele in de werkelijkheid
Mening gaat over het worden (Heraclitus) = zintuigelijke realiteit die onderhevig
is aan verandering
Het inzichtelijke is ware werkelijkheid en zintuigelijke is daar slechts een
afschaduwing van
Volgens Plato is er een centrale problematiek met 2 deelaspecten:
1) Het probleem van morele opvoeding
3
, Voor het aanleren van de meeste disciplines doet men beroep op experts
MAAR voor morele opvoeding doet men dit niet
Morele opvoeding is gebaseerd op opinies wat hen kwetsbaar maakt voor
bv de sofisten
Oplossing: inzicht verwerven door zich te laten leiden door de rede en moraliteit
te funderen op ware kennis
2) Het probleem van de more staatsorde
Enkel mensen met een filosofische ziel zijn in staat om hun levenskeuzes
consequent door de rede te laten bepalen
Er zijn 3 klassen burgers:
1. Bestuurders: filosofische mensen zonder privé-eigendom en familie die
de staat besturen (redelijke deel van de ziel)
2. Helpers: leger en politie (vurige deel van de ziel)
3. Handwerkers: voorzien materiële behoeften van bevolking (verlangende
deel van ziel)
Plato trekt een parallel tussen ziel en staatsorde
Goede staatsorde = goede orde van het individu
De mens is een mini staat binnen het groter geheel van de staat
MAAR kritiek op Plato: bestuurders die volledig volgens de deugd van
verstandigheid handelen bestaan niet (dus wetten vullen deze leemte op)
2 werelden
Volgens plato bestaan er 2 werelden:
Kennis behoort tot de ideeënwereld = de wereld van het zijn (verstand)
Stabiel
Volmaakt
Universeel
Mening behoort tot de zintuigelijk waarneembare wereld = wereld van het
worden (zintuigen)
Onstabiel
Onzuiver
Particulier
Participatie = relatie tussen de 2 werelden
Stabiliteit in de zintuigelijke wereld komt voort uit de stabiliteit van de ideeën
Zintuigelijke dingen zijn afbeeldingen van ideeën
Het idee van het goede
= transcedent: staat boven alle andere ideeën en zelfs boven het zijn
4
Hoofdstuk 1: wijsbegeerte binnen de antieke bestaanshorizon
Natuurfilosofen
= de eerste filosofen
Zij houden zich bezig met natuurverklaring en kosmologie
Natuurverklaring: natuur wordt bestudeerd als organisme dat zichzelf in stand
houdt (ze wordt dus verklaard vanuit principes die zelf onderdeel zijn van die
natuur)
Geen externe factoren of bovennatuurlijke krachten
Kosmologie: orde die in de natuur aanwezig is op een rationele manier
uitleggen
Kosmos is een rationeel geordende logos (logisch geordend geheel)
Wat men blootlegt a.d.h.v. logisch denken is een logica die in de natuur
aanwezig is
Natuurfilosofen gaan opzoek naar het oerbeginsel waaruit de hele werkelijkheid
bestaat
Heraclitus (6e eeuw v.C.)
= de wereld is onderhevig aan een permanente flux
Dankzij voortdurende verandering kan de wereld als kosmos bestaan
“Oorlog is de vader van alle dingen”: de harmonie van de kosmos is het resultaat
van de spanning tussen tegengestelden (warm/koud, nat/droog, dag/nacht …)
Parmenides (6e – 5e eeuw v.C.)
= eerste die het zijnde op zichzelf thematiseert
Tegenpool van Heraclitus
Er zijn 2 mogelijke wegen:
1. Dat het is en dat het onmogelijk is dat het niet is
2. Dat het niet is en dat het noodzakelijk is dat het niet is
= onverzoenbaar maar de gewone mens denkt dat beide wegen openliggen
Parmenides kiest de eerste weg want als men kan spreken of denken over iets
betekent dat dat het voorwerp op een manier moet bestaan (= het zijnde)
Het zijnde is:
1. Eeuwig en onvergankelijk: kan niet ontstaan zijn en niet vergaan
2. Ondeelbaar: het is of het is niet, er zijn geen gradaties
3. Onbeweeglijk en begrensd: absoluut gescheiden van het niet zijnde
4. Volmaakt: het is geen resultaat van een wordingsproces
1
, 5. Bolvormig: overal in alle richtingen identiek
Kritiek van Aristoteles op Parmenides
Volgens Aristoteles behoort de analyse van het zijnde van Parmenides niet tot
fysica, maar tot metafysica
Fysica: studie van concrete veranderlijke wereld
Metafysica: studie van onvergankelijke principes waaraan die veranderlijke
wereld beantwoordt
Sofisten
= rondtrekkende leraars die tegen betaling vorming en kennis aanreiken om het
eigen handelen te legitimeren
Onderwijzen de retoriek (overtuigend spreken) en de kunst van het
debatteren
Gelijk krijgen is belangrijker dan gelijk hebben
Logos wordt puur gebruikt als machtsmiddel om anderen te overtuigen
Sofisme leidt tot een kloof tussen kennis en wijsheid
Sofisten worden gezien als opportunisten: de kunst van het woord staat ten
dienste van streven naar macht
Protagoras (5e eeuw v.C.)
= uitzondering op sofisme: wordt gezien als een gefundeerde relativist
Stelt dat er geen kennis van ultieme waarheid mogelijk is
Dingen zijn zoals ze aan mij verschijnen (vandaar de nood om anderen te
overtuigen)
Realisten
Socrates (5e eeuw v.C.)
= zet zich af tegen het sofisme
Moreel handelen moet gebaseerd zijn op inzicht in de ware betekenis van
begrippen
Logos mag geen machtsmiddel zijn
Kritiek van Socrates roept de traditionele moraal (het idee dat morele
grootheid = uitblinken boven anderen) tot de orde
Ons handelen kan alleen moreel goed zijn als het vanuit de juiste innerlijke
overtuigingen en motieven komt
Filosofie onderscheidt zich door nooit louter alleen beroep te doen op retoriek
Inzicht is het belangrijkste: alleen wie echt begrijpt wat goed is zal ook goed
handelen
2
,Methode
= dialoog als methode voor het verwerven van inzicht
Socrates gebruikt ironie om zijn gesprekspartners tot reflectie te dwingen
Vanuit onwetendheid (hij doet alsof hij niets weet en stelt slimme vragen)
brengt hij hen ertoe om hun eigen kennis/kunde onder woorden te brengen
Plato (5e – 4e eeuw v.C.)
= leerling van Socrates die de thematiek verruimt en ethiek kadert binnen de
hele werkelijkheid
2 vernieuwingen in ethiek:
1. Zielsleer
2. Het inzichtelijke
De zielsleer
De Grieken zagen de ziel als het principe van leven
Zij hadden de ziel al enkele eigenschappen toegekend:
1. Is de zetel van kennis
2. Onsterfelijk
3. Gaat over van het ene lichaam in het andere in een cyclus van
wedergeboorte
Plato neemt dit over maar maakt de ziel ondergeschikt aan een ander
uitganspunt
= de ziel is de kern van onze persoonlijkheid
Delen van de ziel:
1. Redelijke deel = deugd van de verstandigheid
2. Vurige deel = deugd van de dapperheid
3. Verlangende deel = deugd van de zelfbeheersing
Harmonie tussen de 3 delen is de deugd van de rechtvaardigheid
Dit is de bron van morele goedheid
Het inzichtelijke
Inzicht/kennis gaat over het zijn (Parmenides) = het stabiele in de werkelijkheid
Mening gaat over het worden (Heraclitus) = zintuigelijke realiteit die onderhevig
is aan verandering
Het inzichtelijke is ware werkelijkheid en zintuigelijke is daar slechts een
afschaduwing van
Volgens Plato is er een centrale problematiek met 2 deelaspecten:
1) Het probleem van morele opvoeding
3
, Voor het aanleren van de meeste disciplines doet men beroep op experts
MAAR voor morele opvoeding doet men dit niet
Morele opvoeding is gebaseerd op opinies wat hen kwetsbaar maakt voor
bv de sofisten
Oplossing: inzicht verwerven door zich te laten leiden door de rede en moraliteit
te funderen op ware kennis
2) Het probleem van de more staatsorde
Enkel mensen met een filosofische ziel zijn in staat om hun levenskeuzes
consequent door de rede te laten bepalen
Er zijn 3 klassen burgers:
1. Bestuurders: filosofische mensen zonder privé-eigendom en familie die
de staat besturen (redelijke deel van de ziel)
2. Helpers: leger en politie (vurige deel van de ziel)
3. Handwerkers: voorzien materiële behoeften van bevolking (verlangende
deel van ziel)
Plato trekt een parallel tussen ziel en staatsorde
Goede staatsorde = goede orde van het individu
De mens is een mini staat binnen het groter geheel van de staat
MAAR kritiek op Plato: bestuurders die volledig volgens de deugd van
verstandigheid handelen bestaan niet (dus wetten vullen deze leemte op)
2 werelden
Volgens plato bestaan er 2 werelden:
Kennis behoort tot de ideeënwereld = de wereld van het zijn (verstand)
Stabiel
Volmaakt
Universeel
Mening behoort tot de zintuigelijk waarneembare wereld = wereld van het
worden (zintuigen)
Onstabiel
Onzuiver
Particulier
Participatie = relatie tussen de 2 werelden
Stabiliteit in de zintuigelijke wereld komt voort uit de stabiliteit van de ideeën
Zintuigelijke dingen zijn afbeeldingen van ideeën
Het idee van het goede
= transcedent: staat boven alle andere ideeën en zelfs boven het zijn
4