H1: INLEIDING
- Laatste les geen herhalingsles -> gwn les
- Examen: volledig MKV
- Met !/!!: belangrijke slides (andere minder belangr)
- Opnames terug in blok
H2: CELLEN, ORGANEN, CYTOKINES
2.1. INLEIDING
A) Overzicht:
• Wat: Epiheliale barrière met bact drheen( lichaamsvreemd)
• Verloop:
o 1) Eerste lijn immuunsysteem: aangeboren
§ heel snel bact herkennen + signalisatie
§ -> ‘soldaten’ sturen (vb neutrofielen)
§ informanten uit wf (gele cellen) -> lymfeklier
o 2) In lymfeklier:
§ informatie uitw + beoordeling vn partikel (vb gevaarlijk?)
§ vb B-cellen
o 3) Bacteriële infectie
§ Activatie lymfeklieren -> hulp via BV terug nr weefsels
• Doel immuunysteem;
o Verdedigen: tegen pathogenen, lichaamsvreemden (oa toxines) mr ook
lichaamseigen (vb kankercellen)
o Tolereren: eigen cellen (lichaamseigen), ongevaarlijke lichaamsvreemde (vb bij
eten)
B) Aangeboren en adaptief immuunsysteem
• Reactie aangeboren;
= snel, robuust en stereotiep -> zal verdwijnen wnnr antilichaam tevoorschijn
(ingebouwd in DNA)
= belang: om ooit pathogenen tegen te gaan en later antilichaamreactie te verkrijgen
• Verworven;
= meer tijd nodig, wnnr nogmaals antigen -> geheugen (uit vorige bltstelling): sneller en
sterker reageren
2.2. CELLEN
A) Overzicht:
• WBC :
o Granulocyten
o Monocyten -> wnnr uit bloed: macrofagen
1
, o Lymfocyten: info uit weefsels -> interactie met lymfeknoop
o Mestcellen, dendrocyten
• Organen: Thymus, LK, LV, milt
• Myeloïde en lymfoïde cellijn
o Vb lymfoïd:
§ T. cell -> uit beenmerg verlaten -> nr thymus als progenitor ->
helper/killer
§ Vb B cel -> in BM -> milt -> perifere weefsel
o Myeloïde lijn;
= ook verantw vr RBC en bloedplaatjes:
B) Myeloide cellen
1) Neutrofielen
• Opofferen (zal zelf deel vn zichzelf vrijzetten)
• Aantal: 50-70 % WBC (in bld)
• Belang: tegen vele infecties
• Uitzicht:
o Gelobde kern
o Granules -> wapens: om stoffen vrij te zetten
• Korte levensduur -> korter bij infecties
• Aanmaak: beenmerg -> migratie oiv vn bepaalde moleculen: via chemotaxis
= chemotactische cel: cel in staat om andere cel aan te trekken
o Transport: via chemokines vn bld op R neutrofielen nr ontstekingsplaats
• Acties:
o Fagocytose
o Antimicrob. eiw. vrijzetten -> bact infectie proberen remmen
o Vasodilatatie -> bld vertragen
= Doel: lokale infectie beter bestrijden
o NETs(neutrophil extracellular traps)
= gedeconseerd DNA komt vrij wnnr cel lyseert= fysiek web wraan bact kunnen
vastzitten -> om later makkelijker op te eten
o Geheel vn eiw, NETsn extra cellulair vocht: etter/pus
2
, o Cytokines afscheiden: brug nr adaptief systeem (cyt helpen B en T-cellen te
sturen)
2) Eosinofiel
• Morfologie:
o 2 lobbige kern
o Naam dr uitzicht (paarser)
• Aantal: 1- 3% WBC
• Belang; verdediging parasitaire wormen/ astma/ allergische symptomen
• Actie: secretie cytokines
3) Basofielen
• Morfologie:
o 2 lobbige kern
o Veel kleinere kern tov granules
o Granules
§ Azurofiel (lysosomen)
§ In specifiek: mediatoren -> rol in allergische reacties, tegen bact (oa
interleukines, histamines,…)
• Aantal: Zeer weinig aanwezig + zeer korte levensduur
• Belang: verdediging parasitaire wormen
• Acties:
o Vergemakkelijken migratie andere immuuncellen nr plaats infectie
o Aantrekken eosinofielen en lymfocyten
• Rol in allergische symptomen
4) Monocyten en macrofagen = APCs
• Monocyten:
= vernietigen + gebruiken als infobron
o Deel vn aangeboren immuunsysteem
o 2-12% WBC
o Differentiatie mogelijk tot macrofagen (in WF)
• Macrofagen
3
, o Afkomst:
§ Vn Inflammatoire monocyten (gedifferentieerde):
ð APC activiteit
ð fagocytose
§ Embryonaal (al sinds geboorte aanwezig)
= weefsel-residente macrofagen
ð In vele WF specifieke celtypes
ð APC activiteit
o Plaats:
§ Long, lever, beenmerg, hersenen, …
§ Bijna overal mogelijkheid om antigenen te presenteren
• Antigeenpresenterende cellen (monocyten + macrof.)
= zullen antigenen presenteren (APCs)
o Brug tss aangeboren en verworven systeem
5) Dendritische cellen
• In WF, niet in perifeer bld
• Wat: antigenen presenteren en migratie nadien nr lymfoïde organen
= APC activiteit
• Continu actief (ook bij gn infecties ) -> ook lichaamseigen partikels opnemen
• Wnnr lichaamseigen: tolerantie gewenst
6) Antigeenpresenterende cellen (APC)
• Monocyten, macrofagen, dendritische cellen (+ B cellen)
• In aanraking met pathogeen (infectie-aard):
o Opeten (fagocytose)
o Stukje peptide pathogeen op celmmbr APC -> aan T-cellen presenteren
o Dus doel: informeren nr lymfeklieren
C) Lymfoïde cellen
= iets kleiner, veel subvormen)
• Innate lymfoid cells (eig zowel vn aangeboren als verworven immuunsysteem)
= vbNatural Killer cel (zonder celreceptoren mr wel in staat te doden)
• B cellen/lymfocyten
= Omvormen tot plasmacel (met 1 specifiek imuunglobuline)
• T-cellen/ lymfocyten
D) Hoe verschillende cellen in bld herkennen:
• Granulocyt: rozig, abundant aanwezig -> wrs neutrofiel
• Cel lichtjes groter dn neutrofiel: monocyt + iets met randen
• Lymfocyt: grotere, dense kern
• Flowcytometrie:
o Karakterisatie met verschillende kleuren -> bepalen welke eiwitten anwezig
o Uniforme codering vr internationaal gebruik
o CD19 -> deel vn oppervlakteR. Vn B cel
4