1. INTRODUCTION: PART 1
1.1What is meant by an ‘ethico-onto-epistemology?
Ethico-onto-epistemologie is een geïntegreerde filosofische benadering die is geïnspireerd op het werk van Karen
Barad. Deze benadering brengt ethiek, ontologie en epistemologie samen in één verstrengeld kader en stelt dat
deze drie dimensies diepgaand met elkaar verbonden zijn. Hierdoor biedt het een rijkere en meer kritische manier
van denken over wetenschappelijk onderzoek, de medische praktijk en technologische innovatie.
Ontologie: Hoe de wereld IS.
Dit betreft de manier waarop we de werkelijkheid begrijpen en conceptualiseren, wat we geloven dat er bestaat en
hoe we dat categoriseren. De ontologie houdt zich dus bezig met de aard van de werkelijkheid en met de vraag hoe
we concepten binnen die werkelijkheid definiëren. Sommige zaken die in het dagelijks leven eenvoudig lijken,
worden een stuk complexer zodra we er dieper over nadenken.
- Bv: Wat een ziekte precies is. Een ziekte kan worden omschreven als een verzwakkende conditie die een
impact heeft op het leven van een persoon, waardoor het als een abnormaliteit wordt beschouwd.
- Dit roept echter de vraag op hoe we een abnormale functie precies definiëren.
o Bij een aandoening zoals autisme is het concept van ziekte bijvoorbeeld sterk gekoppeld aan
cultuur. In Taiwan is het vanwege culturele normen niet gebruikelijk dat kinderen volwassenen recht
in de ogen kijken, terwijl het maken van adequaat oogcontact (= een naturlijk evenwicht tussen de
ander aankijken en wegkijken tijdens een gesprek) in Europa juist als een belangrijke indicator in de
diagnostiek werd gebruikt.
!! Het definiëren van wat we wel of niet als een ziekte beschouwen is dan ook niet alleen een theoretische discussie,
aangezien het directe beleidsimplicaties(policy implications) heeft.
Epistemologie (en wetenschapsfilosofie): Hoe we dingen WETEN.
De studie van kennis onderzoekt deze discipline hoe we weten wat we weten en wat telt als een gerechtvaardigd
geloof. Het draait om het begrijpen van de oorsprong van kennis en omvat vragen over hoe wetenschappelijke
feiten tot stand komen, hoe vooroordelen (bias) het onderzoek beïnvloeden en of kennis werkelijk objectief kan zijn.
- De filosoof Thomas Kuhn introduceerde paradigmaverschuiving.
o Hij stelde dat de wetenschap periodiek door grote verschuivingen gaat, wat neerkomt
op fundamentele transformaties in de gedeelde denkkaders waarmee wetenschappers de wereld
interpreteren.
Ethiek: Wat we ZOUDEN moeten doen.
Deze dimensie vraagt zich af hoe we moeten leven en wat een goed en rechtvaardig leven inhoudt, een vraagstuk
dat teruggaat tot antieke filosofen zoals Socrates en Aristoteles. Vandaag de dag omvat ethiek voornamelijk de
studie van principes die aan de basis liggen van normen en waarden, wat ook wel moraliteit wordt genoemd. Binnen
de ethiek kunnen we verschillende takken onderscheiden:
- Niet-normatieve of beschrijvende takken. Hiertoe behoort de beschrijvende ethiek (of moral sciences), die
onderzoekt hoe wij als morele wezens functioneren of dat morele waarden in elke cultuur hetzelfde zijn. Een
andere niet-normatieve tak is de meta-ethiek, die zich buigt over de vraag of waarden gegrond zijn in de
rede of in emotie, en wat de oorsprong is van moreel gedrag.
- Normatieve ethiek, die bepaalt welke gedragingen als goed of slecht worden beschouwd. Dit omvat zowel
de algemene normatieve ethiek als de toegepaste ethiek (applied ethics), waaronder specifieke disciplines
vallen zoals de bio-ethiek, media-ethiek en bedrijfsethiek.
!! In de kern is dit de studie van moraliteit: hoe we leven, waarom we om goed en kwaad geven en hoe we
beslissingen nemen in ons dagelijks leven.
Door kritisch te onderzoeken hoe deze verschillende dimensies met elkaar interageren, krijgen we een inclusiever en
meer genuanceerd begrip van de wetenschappelijke praktijk. Een dergelijke benadering verheldert niet alleen
complexe ethische dilemma's, maar verbetert ook de kwaliteit van het onderzoek zelf. Dit gebeurt door het
1
, Bio-ethics
aanmoedigen van reflexiviteit, diversiteit aan perspectieven en het vergroten van het bewustzijn van de waarden
die ingebed zijn in kennisproductie.
2
, Bio-ethics
1.2 What do Thomas Hobbes and Frans de Waal say about the origins of mortality?
Binnen de filosofie bestaat een belangrijk debat over de oorsprong van de moraal, waarin de perspectieven van
Thomas Hobbes en Frans de Waal lijnrecht tegenover elkaar staan.
Thomas Hobbes
Hij argumenteerde dat menselijke wezens van nature niet goed zijn, maar fundamenteel egoïstisch. Volgens zijn
theorie ontstond moraliteit niet omdat mensen inherent moreel zijn, maar puur omdat ze een praktische
oplossing nodig hadden om samen te kunnen overleven. Hobbes vraagt ons om een vroege,
denkbeeldige natuurtoestand voor te stellen. In het begin, toen de wereldbevolking nog klein was en de
hulpbronnen overvloedig waren, bleef conflict minimaal. Naarmate de bevolking echter toenam en middelen schaars
werden, intensiveerde de competitie. Dit leidde tot een gewelddadige overlevingsstrijd waarin het menselijk leven
uiterst onzeker en gevaarlijk werd. Om aan deze allesomvattende chaos te ontsnappen, stemden mensen er
rationeel mee in om een sociaal contract te sluiten. Dit contract bestond uit morele regels en normen die zelfzuchtig
gedrag moesten beperken, met als doel vrede en wederzijds voordeel te promoten. Deze regels werden in een
latere fase geïnstitutionaliseerd tot wetten en hardhandig gehandhaafd door de staat. Hobbes beschrijft moraliteit
dan ook als iets dat diep geworteld is in egoïstische voorzichtigheid (egoistic prudence): individuen volgen morele
regels niet uit pure goedheid, maar simpelweg omdat handelen in het algemeen belang uiteindelijk in
hun eigenbelang is. Zonder deze institutionele handhaving zouden mensen direct terugkeren naar zelfzuchtige
conflicten. De onvermijdelijke conclusie van Hobbes is dan ook dat moraliteit een menselijke uitvinding is, specifiek
gecreëerd om sociale stabiliteit en overleving te garanderen.
Frans de Waal
Hiertegenover staat de biologische en evolutionaire visie van Frans de Waal. Hij betoogt dat moraliteit
duidelijke evolutionaire wortels heeft en bijgevolg niet exclusief menselijk is. De Waal baseert zijn argument op
empirische observaties van specifiek sociaal gedrag bij niet-menselijke dieren, waaronder altruïsme, empathie,
wederkerigheid en eerlijkheid. Deze gedragingen suggereren dat de fundamentele bouwstenen van moraliteit al
lang bestonden voordat er sprake was van formele wetten of rationele, menselijke overeenkomsten. Moraliteit
evolueerde volgens hem als een natuurlijke aanpassing (natural adaptation) die sociale dieren helpt om op een
coöperatieve manier samen te leven. Pro-sociale eigenschappen zoals eerlijkheid en altruïsme zijn immers essentieel
voor de groepscohesie en de uiteindelijke overleving van de soort, en de mens deelt deze evolutionaire
eigenschappen simpelweg met andere diersoorten. Hoewel de Waal erkent dat de menselijke moraliteit in de
praktijk complexer is, mede omdat deze deels wordt beïnvloed door religie, culturele normen en taboes, blijft het
een feit dat de kernfundamenten biologisch zijn. Moraliteit is dus niet louter een rationele sociale constructie, maar
veeleer een direct verlengstuk van natuurlijke sociale instincten.
Key difference:
Hobbes De Waal
Moraliteit is een strategische oplossing voor de gavaren Moraliteit is iets waar we van nature toe geneigd zijn,
van een egoïsme in de samenleving, gebaseerd op gewordteld in evolutionaire processen en gedeld met
contracten en handhaving. niet-menselijke dieren
Verklaart Moraliteit als een product van eigenbelang en Verklaart moraliteit als een geëvolueerde biologische
sociale organisatie eigenschap, geworteld in empathie en rechtvaardigheid
Deze contrasterende perspectieven leveren tot op de dag van vandaag een fundamentele bijdrage aan het lopende
debat binnen de meta-ethiek over de vraag waarom mensen überhaupt om recht en onrecht geven, en of moraliteit
nu uniek menselijk is of simpelweg deel uitmaakt van ons bredere evolutionaire erfgoed.
3
, Bio-ethics
2. INTRODUCTION: PART 2 (MORAL THEORIES)
Concepts: utilitarianism, deontology, theory of justice, virtue ethics, care ethics, experience machine, preference utilitarianism, act utilitarianism, rule
utilitarianism, hedonism, supererogatory, speciesism, categorical imperative, hypothetical imperative, eudaimonia, phronesis, thin morality, thick morality
2.1 Explain utilitarianism. What are its strong ans weak points?
Het utilitarisme is een morele theorie die zich focust op de consequenties van acties. Het kernprincipe van deze
stroming stelt dat een handeling als goed wordt beschouwd als deze "het grootste goed voor het grootste aantal
mensen" (the greatest good for the greatest number of people) oplevert. Daarmee geeft het een specifieke
interpretatie aan het consequentialisme, waarbij de centrale vraag is welke zaken het minste lijden veroorzaken. De
theorie evalueert acties dus uitsluitend op basis van hun uitkomsten via een strikte kosten-batenanalyse, waarin de
positieve uitkomsten (plezier en geluk) zwaarder moeten wegen dan de negatieve consequenties (pijn en lijden).
Jeremy Bentham
De term werd oorspronkelijk geïntroduceerd door Jeremy Bentham. Hij maakte gebruik van een
zogenaamde hedonistische calculus (hedonistic calculus) om de baten van handelingen te berekenen. Volgens zijn
visie zijn acties goed als ze plezier verhogen en immoreel als ze lijden veroorzaken, waarbij geluk simpelweg wordt
gedefinieerd als de aanwezigheid van geluk en de afwezigheid van pijn. Bentham stelde dat dit plezier of deze pijn
systematisch beoordeeld kan worden aan de hand van specifieke factoren, zoals de intensiteit, duur en mate van
zekerheid ervan.
Robert Nozick
Lijnrecht tegenover deze hedonistische benadering staat het bekende gedachte-experiment van Robert Nozick: de
ervaringsmachine (the experience machine). Hij vraagt ons om een machine in te bleden die je louter ervaringen
geeft die jou plezier bezorgen. Volgens de hedonistische benadering van het utilitarisme zou het hebben van de
enkele ervaring die je plezier geeft, even goed zijn als het daadwerkelijk dóén van de dingen die plezier opleveren.
Het blijkt echter dat de meeste mensen er de voorkeur aan geven om dingen écht te doen in plaats van louter illusies
te ervaren die plezier opwekken, waaruit Nozick concludeert dat het hedonisme onjuist is.
John Stuart Mill
Later verfijnde John Stuart Mill dit gedachtegoed tot het zogenaamde utiliteitsprincipe (utility-principle). Hij legde
de nadruk op de kwalitatieve verschillen in plezier en stelde dat sommige plezieren, zoals de plezieren van de
geest (het intellect), hoger en waardevoller zijn dan andere, zoals de plezieren van het lichaam (zoals sport).
Om de problemen van het hedonisme definitief te omzeilen, probeerden filosofen in de 20e eeuw 'het goede'
anders te definiëren. Zij stelden dat het goede gedefinieerd moet worden als de bevrediging van
voorkeuren (satisfaction of preferences) in plaats van puur plezier, wat leidde tot
het voorkeursutilitarisme (preference utilitarianism).
Binnen de ethische beoordeling bestaat daarnaast een belangrijk onderscheid tussen handelingsutilitarisme (act
utilitarianism) en regelutilitarisme (rule utilitarianism). Bij het handelingsutilitarisme kijkt men naar de specifieke
regels door te meten of ze pijn of geluk veroorzaken, waarbij elke handeling afzonderlijk wordt geëvalueerd om te
beslissen wat op dat specifieke moment het meeste 'goede' voortbrengt. Het regelutilitarisme daarentegen focust
op welke algemene regels zullen leiden tot het meeste geluk, gericht op het maximaliseren van geluk op de lange
termijn (door vast te houden aan deze regels zodat de samenleving niet uit elkaar valt).
sterke punten
1. Inclusief, omdat het geluk van iedereen als volstrekt gelijkwaardig wordt beschouwd.
2. Progressief, aangezien het álle wezens die geluk kunnen ervaren meeneemt in de morele overweging,
inclusief vrouwen en dieren. Bentham refereerde destijds al expliciet naar dieren door te stellen dat de
kernvraag niet is of ze rationeel zijn, maar "kunnen ze lijden?". In het verlengde hiervan staat de moderne
filosoof Peter Singer, die eveneens pleit voor dierenrechten en zich fel uitspreekt
tegen speciesisme (speciesism): het onrechtmatig maken van een moreel onderscheid tussen menselijk en
niet-menselijk dierlijk leven.
4