Farmacodynamiek
1. Inleiding
Keuze van de dosis van medicijnen is doorslaggevend
o Werkzaamheid vs toxiciteit
o Als laatste fase wordt het geneesmiddel voorgelegd aan de FDA
-> zij beslissen of het geneesmiddel veilig genoeg is om op de markt
te komen
Je start met 10.000 moleculen -> komt uiteindelijk op 1
geneesmiddel
Farmacokinetiek
o Als we een bepaalde dosis van een geneesmiddel geven, welke
concentratie kunnen we detecteren in het bloed in functie van de
tijd
o ‘wat doet een organisme met het geneesmiddel’
Farmacodynamiek
o Als je bij een bepaald target een bepaalde hoeveelheid
geneesmiddel toedient, krijg je een bepaald effect
Als je meer geneesmiddelen toedient, krijg je een groter
effect (sigmoidale curve)
o ‘wat doet het geneesmiddel in een organisme?’
PK/PD
o Combinatie van beide
o Zorgen voor het finaal effect in functie van de tijd
Wat is een geneesmiddel?
o Biologische geneesmiddelen zijn het grootste
-> kunnen veel selectiever met hun receptor interageren
, Nomenclatuur -> Pembro-li-zu-mab
o Li = immuuncelaanvallend
o Zu = wat voor type antilichaam het is
Therapeutic modalities
o Small molecules hebben nog steeds het grootste stuk van de
goedkeuring van nieuwe geneesmiddelen
Zijn zowel oraal, injectie als met inhalatie beschikbaar
o Meer en meer komen er andere therapeutische modaliteiten
Vb: proteïnentherapie, oligonucleotides, cel- en gentherapie
Moeten vaak via injectie toegedient worden
Geneesmiddelen moeten aangrijpen
o Belang van selectiviteit (chemisch/biologisch)
o Chemische selectiviteit
Molecule heeft een ruimtelijke structuur
-> past mooi als ‘sleutel’ in een bepaald ‘slot’
Aangrijpingspunten zijn vaak receptoren
Vb: angiotensine II
Bestaat uit 8 AZ, als we hier 1 afsplitsen -> inactief
o 8 AZ -> 7 AX = inactief
Bestaat uit allemaal L-AZ, als je naar een D gaat ->
inactief
o L-AZ -> D-AZ = inactief
Conclusie: chemische selectiviteit en ruimtelijke
conformatie zijn heel belangrijk
o Biologische specificiteit
, Je wil effect op een bepaald target, maar niet op bv andere
organen die niet van belang zijn
Angiotensine II
-> AT1R (angiotensine 1 receptor) & AT2R receptoren
Wel in bloedvaten (vasoconstrictie)
Niet in het gastrointestinaal systeem
Adrenaline -
-> α- en β-adrenerge receptoren
bronchi/longen: dilatatie
o vnl β2 receptoren -> vasodilatatie
bloedvaten: contractie en dilatatie
o zowel α1 receptoren (vasoconstrictie) en β2
receptoren (vasodilatatie
2. Aangrijpingspunten geneesmiddelen
2.1 Algemeen
Geneesmiddel kan selectief zijn of
niet selectief zijn
Heel vaak werkt een
geneesmiddel in op
signaaltransductie, die gekoppeld
is aan receptoren
Soms werkt het niet op
receptoren
- Soms kan een
geneesmiddel bepaalde
enzymes remmen
= inhibitoren
Overzicht geneesmiddelen
o antacida
, o sucralphate / alginate
o H2-antagonists
o ProtonPumpInhibitors (PPI)
o acetylsalicylic acid (ASA)
o clopidogrel
o vitamine K-antagonisten
warfarine
o heparine (and LMWH)
o Benzodiazepines*
o adrenaline
o α1-agonist
o β2-agonist (ook clenbuterol)
o α1-antagonist
o β-antagonist (β-blokkers)
o Calcium Kanaal Antagonisten (blokkers)
o NO donoren
o PDE-V inhibitoren (Viagra®)
o NSAIDs
o glucocorticoïden
o biologische DMARDS
o Tyrosine Kinase Inhibitors ( “-nibs”)
2.2 Voorbeelden
Geneesmiddelen gebruikt bij maag(zuur)klachten
Oorzaak: verhoogde productie van zuur/protonen
o Branderig gevoel in maag
Kunnen het op 3 manieren de zuursecretie inhiberen
o Mechanische barrière voor protectie maagwand
o Protonen neutraliseren
o Bron aanpakken: zorgen dat er minder protonen (H+) gevormd
worden
‘Protectie’ door mechanische barrière
o Door sucralfaat of alginaat
o Sucralfaat
1. Inleiding
Keuze van de dosis van medicijnen is doorslaggevend
o Werkzaamheid vs toxiciteit
o Als laatste fase wordt het geneesmiddel voorgelegd aan de FDA
-> zij beslissen of het geneesmiddel veilig genoeg is om op de markt
te komen
Je start met 10.000 moleculen -> komt uiteindelijk op 1
geneesmiddel
Farmacokinetiek
o Als we een bepaalde dosis van een geneesmiddel geven, welke
concentratie kunnen we detecteren in het bloed in functie van de
tijd
o ‘wat doet een organisme met het geneesmiddel’
Farmacodynamiek
o Als je bij een bepaald target een bepaalde hoeveelheid
geneesmiddel toedient, krijg je een bepaald effect
Als je meer geneesmiddelen toedient, krijg je een groter
effect (sigmoidale curve)
o ‘wat doet het geneesmiddel in een organisme?’
PK/PD
o Combinatie van beide
o Zorgen voor het finaal effect in functie van de tijd
Wat is een geneesmiddel?
o Biologische geneesmiddelen zijn het grootste
-> kunnen veel selectiever met hun receptor interageren
, Nomenclatuur -> Pembro-li-zu-mab
o Li = immuuncelaanvallend
o Zu = wat voor type antilichaam het is
Therapeutic modalities
o Small molecules hebben nog steeds het grootste stuk van de
goedkeuring van nieuwe geneesmiddelen
Zijn zowel oraal, injectie als met inhalatie beschikbaar
o Meer en meer komen er andere therapeutische modaliteiten
Vb: proteïnentherapie, oligonucleotides, cel- en gentherapie
Moeten vaak via injectie toegedient worden
Geneesmiddelen moeten aangrijpen
o Belang van selectiviteit (chemisch/biologisch)
o Chemische selectiviteit
Molecule heeft een ruimtelijke structuur
-> past mooi als ‘sleutel’ in een bepaald ‘slot’
Aangrijpingspunten zijn vaak receptoren
Vb: angiotensine II
Bestaat uit 8 AZ, als we hier 1 afsplitsen -> inactief
o 8 AZ -> 7 AX = inactief
Bestaat uit allemaal L-AZ, als je naar een D gaat ->
inactief
o L-AZ -> D-AZ = inactief
Conclusie: chemische selectiviteit en ruimtelijke
conformatie zijn heel belangrijk
o Biologische specificiteit
, Je wil effect op een bepaald target, maar niet op bv andere
organen die niet van belang zijn
Angiotensine II
-> AT1R (angiotensine 1 receptor) & AT2R receptoren
Wel in bloedvaten (vasoconstrictie)
Niet in het gastrointestinaal systeem
Adrenaline -
-> α- en β-adrenerge receptoren
bronchi/longen: dilatatie
o vnl β2 receptoren -> vasodilatatie
bloedvaten: contractie en dilatatie
o zowel α1 receptoren (vasoconstrictie) en β2
receptoren (vasodilatatie
2. Aangrijpingspunten geneesmiddelen
2.1 Algemeen
Geneesmiddel kan selectief zijn of
niet selectief zijn
Heel vaak werkt een
geneesmiddel in op
signaaltransductie, die gekoppeld
is aan receptoren
Soms werkt het niet op
receptoren
- Soms kan een
geneesmiddel bepaalde
enzymes remmen
= inhibitoren
Overzicht geneesmiddelen
o antacida
, o sucralphate / alginate
o H2-antagonists
o ProtonPumpInhibitors (PPI)
o acetylsalicylic acid (ASA)
o clopidogrel
o vitamine K-antagonisten
warfarine
o heparine (and LMWH)
o Benzodiazepines*
o adrenaline
o α1-agonist
o β2-agonist (ook clenbuterol)
o α1-antagonist
o β-antagonist (β-blokkers)
o Calcium Kanaal Antagonisten (blokkers)
o NO donoren
o PDE-V inhibitoren (Viagra®)
o NSAIDs
o glucocorticoïden
o biologische DMARDS
o Tyrosine Kinase Inhibitors ( “-nibs”)
2.2 Voorbeelden
Geneesmiddelen gebruikt bij maag(zuur)klachten
Oorzaak: verhoogde productie van zuur/protonen
o Branderig gevoel in maag
Kunnen het op 3 manieren de zuursecretie inhiberen
o Mechanische barrière voor protectie maagwand
o Protonen neutraliseren
o Bron aanpakken: zorgen dat er minder protonen (H+) gevormd
worden
‘Protectie’ door mechanische barrière
o Door sucralfaat of alginaat
o Sucralfaat