medische wetenschappen 2 - pathologie:
spijsvertering:
inleiding:
• maagdarmsysteem is aaneengesloten buis - 6 m - die van mond tot aars loopt met aantal
gespecialiseerde onderdelen die elk eigen functie hebben
bovenaan ligt de slokdarm:
• = gespierde buis die zorgt voor transporteren van voedsel
• bovenzijde = afgesloten door bovenste slokdarmsfincter
• onderste = onderste slokdarmsfincter
de maag:
• = grote elastische zak die eten gaat vermalen = 1ste stap vertering → door hevige
contracties v.d. maag.
• voor vertering → productie zuur maagvocht + pepsine
• voorafgebroken brij wordt geperst door maaguitgang = pyloor naar de dunne darm
de dunne darm:
• langste deel van SV stelsel - 4 à 6 meter
• vertering koolhydraten – eiwitten – vetten tot kleine moleculen
• enzymen die zorgen voor afbraak van moleculen bevinden zich op oppervlak darmwand.
onderzoek
• eerste stuk = twaalfvingerige darm → gastroscopie
• laatste stuk = terminale ileum → coloscopie
• alles ertussen → enteroscopie = extra lange endoscoop
• kan ook via videocapsule → ganse traject dunne darm
de appendix:
• wormvormig aanhangsel aan begin dikke darm
• geen enkele rol te vervullen → overblijfsel van evolutie menselijk lichaam
• voorafgebroken brij wordt geperst
dikke darm:
• ongeveer 1 meter lang + breder dan dunne darm
• geen vertering + absorptie van voedingsbestanddelen
• stoelgangsbrij vanuit dunne darm → ingedikt in dikke darm → stoelgang wordt met
krachtige bewegingen naar endeldarm geduwd
• = zet stoelgangsreflex in gang
onderzoek
• via coloscopie na volledige darmvoorbereiding
1
, verteringsorganen:
lever:
• groot orgaan dat zich rechts boven in de buik bevindt → bloed vanuit SV stelsel
wordt hiernaar gevoerd.
• 4 belangrijke functies:
• opslag & gecontroleerde afgifte van energiebronnen
• afvalstoffen vanuit darm filteren en afbreken
• EW aanmaken die betrokken zijn bij bloedstolling – afweer – vochthuishouding.
• galsap aanmaken = verteringssap→ vertering + absorptie vetstoffen
galwegen:
• gal:
o bevat galzouten + cholesterol + bilirubine → bruingele kleur door bilirubine
= afbraakproduct Hb
• galwegen ontspringen in lever
• galblaas = opvangreservoir galsap → bij noodzaak – voornamelijk na vetrijke maaltijd –
galsap naar dunne darm afgeven
pancreas = klier:
• 2 functies:
• aanmaken pancreassap → afvoer via pancreasgang - ductus van Wirsung - naar
darm → passeert naast hoofdgalweg om via papil van Vater naar darm te stromen
• vetvertering → pancreassap bevat vnl. lipase → enzym dat instaat voor vetvertering
– kan ook eiwitten en suikers afbreken.
• productie van deze verteringsenzymen = exocriene functie
• insuline-aanmaak → suikerbalans reguleren → rechtstreeks in bloed gepompt =
endocriene functie
2
, belangrijkste klinische beelden:
1. buikpijn:
• vaak voorkomend + kan op onderliggende aandoeningen wijzen
• acuut abdomen:
• zeer hevige & acuut optredende buikpijn
• onderliggende aandoening vaak ernstig & levensbedreigend
= oorzaak vrij snel te achterhalen
• buikpijn is in de meeste gevallen vaag
hierdoor moeilijker oorzaak vinden
op basis van specifieke eigenschappen kunnen er mogelijke oorzaken geduid worden:
1.1 viscerale pijn
• typisch weinig omgeschreven, dof & moeilijk exact te lokaliseren pijn
• voorbeeld: pijnlijke krampen tijdens GE
doorgave pijnprikkel:
• schade inwendig orgaan → activatie zenuwbanen autonome ZS → pijnsignaal via
ruggenmerg naar centrale ZS → zenuwsignaal zorgt voor waar wording pijn
tegenhanger van viscerale pijn = somatische pijn
somatische pijn:
• scherpe + abrupte & verdwijnende pijn + duidelijk te lokaliseren
• hierbij wordt pijnzenuw geactiveerd
voorbeeld: teen stoten
1.2 koliekpijn:
• = op & af golvende pijnstoten
• komen voor bij schade aan hol orgaan of wanneer hol orgaan tegen een weerstand pompt
bijvoorbeeld: galstenen, uretersteen, zieke darm
• pijn heel intens & bewegingsdrang
• iemand die liever muisstil blijft liggen, meestal peritoneale pijn
• vaak gaan pijnopstoten gepaard met misselijkheid en braken
1.3 peritoneale pijn:
• ontstaat wanneer buikvlies beschadigd - geïrriteerd - ontstoken raakt
• peritoneum = éénlagig epitheel
• bedekt enerzijds inwendige organen - darm, lever, blaas, milt
• anderzijds de buikwand
→ we spreken over viscerale peritoneum en pariëtale peritoneum
• pariëtale buikvlies = somatisch bezenuwd
→ sterk gelokaliseerde + scherpe pijn
→ continu + wordt erger bij schokken, hoesten.. bewegingen
→ vaak wordt dit ook vervoerspijn of transportpijn genoemd
bijvoorbeeld: appendicitis + diverticulitis
• viscerale buikvlies = visceraal bezenuwd
3
spijsvertering:
inleiding:
• maagdarmsysteem is aaneengesloten buis - 6 m - die van mond tot aars loopt met aantal
gespecialiseerde onderdelen die elk eigen functie hebben
bovenaan ligt de slokdarm:
• = gespierde buis die zorgt voor transporteren van voedsel
• bovenzijde = afgesloten door bovenste slokdarmsfincter
• onderste = onderste slokdarmsfincter
de maag:
• = grote elastische zak die eten gaat vermalen = 1ste stap vertering → door hevige
contracties v.d. maag.
• voor vertering → productie zuur maagvocht + pepsine
• voorafgebroken brij wordt geperst door maaguitgang = pyloor naar de dunne darm
de dunne darm:
• langste deel van SV stelsel - 4 à 6 meter
• vertering koolhydraten – eiwitten – vetten tot kleine moleculen
• enzymen die zorgen voor afbraak van moleculen bevinden zich op oppervlak darmwand.
onderzoek
• eerste stuk = twaalfvingerige darm → gastroscopie
• laatste stuk = terminale ileum → coloscopie
• alles ertussen → enteroscopie = extra lange endoscoop
• kan ook via videocapsule → ganse traject dunne darm
de appendix:
• wormvormig aanhangsel aan begin dikke darm
• geen enkele rol te vervullen → overblijfsel van evolutie menselijk lichaam
• voorafgebroken brij wordt geperst
dikke darm:
• ongeveer 1 meter lang + breder dan dunne darm
• geen vertering + absorptie van voedingsbestanddelen
• stoelgangsbrij vanuit dunne darm → ingedikt in dikke darm → stoelgang wordt met
krachtige bewegingen naar endeldarm geduwd
• = zet stoelgangsreflex in gang
onderzoek
• via coloscopie na volledige darmvoorbereiding
1
, verteringsorganen:
lever:
• groot orgaan dat zich rechts boven in de buik bevindt → bloed vanuit SV stelsel
wordt hiernaar gevoerd.
• 4 belangrijke functies:
• opslag & gecontroleerde afgifte van energiebronnen
• afvalstoffen vanuit darm filteren en afbreken
• EW aanmaken die betrokken zijn bij bloedstolling – afweer – vochthuishouding.
• galsap aanmaken = verteringssap→ vertering + absorptie vetstoffen
galwegen:
• gal:
o bevat galzouten + cholesterol + bilirubine → bruingele kleur door bilirubine
= afbraakproduct Hb
• galwegen ontspringen in lever
• galblaas = opvangreservoir galsap → bij noodzaak – voornamelijk na vetrijke maaltijd –
galsap naar dunne darm afgeven
pancreas = klier:
• 2 functies:
• aanmaken pancreassap → afvoer via pancreasgang - ductus van Wirsung - naar
darm → passeert naast hoofdgalweg om via papil van Vater naar darm te stromen
• vetvertering → pancreassap bevat vnl. lipase → enzym dat instaat voor vetvertering
– kan ook eiwitten en suikers afbreken.
• productie van deze verteringsenzymen = exocriene functie
• insuline-aanmaak → suikerbalans reguleren → rechtstreeks in bloed gepompt =
endocriene functie
2
, belangrijkste klinische beelden:
1. buikpijn:
• vaak voorkomend + kan op onderliggende aandoeningen wijzen
• acuut abdomen:
• zeer hevige & acuut optredende buikpijn
• onderliggende aandoening vaak ernstig & levensbedreigend
= oorzaak vrij snel te achterhalen
• buikpijn is in de meeste gevallen vaag
hierdoor moeilijker oorzaak vinden
op basis van specifieke eigenschappen kunnen er mogelijke oorzaken geduid worden:
1.1 viscerale pijn
• typisch weinig omgeschreven, dof & moeilijk exact te lokaliseren pijn
• voorbeeld: pijnlijke krampen tijdens GE
doorgave pijnprikkel:
• schade inwendig orgaan → activatie zenuwbanen autonome ZS → pijnsignaal via
ruggenmerg naar centrale ZS → zenuwsignaal zorgt voor waar wording pijn
tegenhanger van viscerale pijn = somatische pijn
somatische pijn:
• scherpe + abrupte & verdwijnende pijn + duidelijk te lokaliseren
• hierbij wordt pijnzenuw geactiveerd
voorbeeld: teen stoten
1.2 koliekpijn:
• = op & af golvende pijnstoten
• komen voor bij schade aan hol orgaan of wanneer hol orgaan tegen een weerstand pompt
bijvoorbeeld: galstenen, uretersteen, zieke darm
• pijn heel intens & bewegingsdrang
• iemand die liever muisstil blijft liggen, meestal peritoneale pijn
• vaak gaan pijnopstoten gepaard met misselijkheid en braken
1.3 peritoneale pijn:
• ontstaat wanneer buikvlies beschadigd - geïrriteerd - ontstoken raakt
• peritoneum = éénlagig epitheel
• bedekt enerzijds inwendige organen - darm, lever, blaas, milt
• anderzijds de buikwand
→ we spreken over viscerale peritoneum en pariëtale peritoneum
• pariëtale buikvlies = somatisch bezenuwd
→ sterk gelokaliseerde + scherpe pijn
→ continu + wordt erger bij schokken, hoesten.. bewegingen
→ vaak wordt dit ook vervoerspijn of transportpijn genoemd
bijvoorbeeld: appendicitis + diverticulitis
• viscerale buikvlies = visceraal bezenuwd
3